ECLI:NL:RBROT:2025:14152

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1732 – FT RK 25/1733
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een moratorium voor zes maanden in het kader van een voorlopige voorziening bij een dreigende ontruiming

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 16 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschrift ex artikel 287b van de Faillissementswet (Fw) van verzoeker, die onder beschermingsbewind staat. Verzoeker heeft op 22 september 2025 een verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening om ontruiming van zijn huurwoning te voorkomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie, aangezien er een proces-verbaal van de kantonrechter is overgelegd waarin ontruiming is aangekondigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van verzoeker om in zijn huurwoning te blijven zwaarder weegt dan het belang van de verhuurder, verweerster, om tot ontruiming over te gaan. De rechtbank heeft daarom het verzoek toegewezen en een moratorium van zes maanden opgelegd, waarbij de huurtermijnen tijdig voldaan moeten worden. Tevens is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan hij in de toekomst een nieuw verzoek indienen. De uitspraak is openbaar gedaan door rechter J.T.P. Pot en griffier C. van der Velde.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [rekestnummer 1] – [rekestnummer 2]
uitspraakdatum: 16 oktober 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 22 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 22 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 9 oktober 2025.
Ter zitting van 9 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw D. Mol, werkzaam bij Stroomopwaarts (hierna: schuldhulpverlening).
Mevrouw F. Bouman, werkzaam bij gerechtsdeurwaarderskantoor Willems heeft namens stichting Waterweg Wonen (hierna: verweerster) bij e-mailbericht van 8 oktober 2025 laten weten dat er namens verweerster niemand ter zitting zal verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden overeenkomstig het bepaalde in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 24 oktober 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker over te gaan.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij nooit om hulp heeft durven vragen, waardoor zijn schulden zijn opgelopen. Hij wenst een oplossing voor zijn schulden en heeft nu wel de stap gezet om hulp te vragen en te aanvaarden. Verzoeker staat sinds 3 oktober 2025 onder beschermingsbewind. Verzoeker heeft inkomsten uit arbeid op basis van een nuluren-contract. De beschermingsbewindvoerder is bezig te regelen dat verzoeker, indien hij een inkomen genereert dat lager is dan de toepasselijke bijstandsnorm, een aanvullende Participatiewet-uitkering ontvangt. Daarnaast ontvangt verzoeker maandelijks huurtoeslag. De werkgever is van de situatie van verzoeker op de hoogte en probeert verzoeker zoveel mogelijk uren te laten werken. Verzoeker heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij zal op korte termijn een gesprek hebben. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de minnelijke regeling is opgestart en aan de schuldeisers een saldo-opgave is verzocht.

3.Het verweer

Verweerster verzoekt in haar e-mailbericht van 8 oktober 2025 om het verzoek toe te wijzen, omdat de lopende huurtermijnen over september en oktober 2025 zijn voldaan. Bovendien biedt het verlenen van het moratorium verzoeker de mogelijkheid om binnen zes maanden tot een schuldenregeling te komen, hetgeen in het belang is van verzoeker maar ook van de schuldeisers.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van
26 augustus 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op
23 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 24 oktober 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft inkomsten uit arbeid. Indien deze inkomsten onder de toepasselijke bijstandsnorm liggen, zal verzoeker een aanvullende bijstandsuitkering ontvangen. Daarnaast ontvangt verzoeker maandelijks een bedrag van
€ 380,-- aan huurtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 680,-- te kunnen voldoen. De huur over de maanden september en oktober 2025 is voldaan. Bovendien is ten aanzien van verzoeker met ingang van 3 oktober 2025 beschermingsbewind uitgesproken. Door het beschermingsbewind wordt betaling van de lopende huurtermijnen voldoende gewaarborgd. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van de uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 24 oktober 2024 voortvloeiende bevoegdheid van verweerster om tot ontruiming over te gaan van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [plaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 22 september 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025.