ECLI:NL:RBROT:2025:14154

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1676 – FT RK 25/1677
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een moratorium op basis van artikel 287b Faillissementswet in een huurkwestie met een verzoek tot voorlopige voorziening

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 16 oktober 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschriftprocedure waarin verzoeker, een ondernemer, een voorlopige voorziening heeft gevraagd op basis van artikel 287b van de Faillissementswet (Fw). Verzoeker heeft op 17 september 2025 een verzoekschrift ingediend om een moratorium van zes maanden te verkrijgen, omdat hij dreigde ontruimd te worden uit zijn huurwoning door verweerster, een verhuurder. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een bedreigende situatie was, aangezien verweerster had aangekondigd tot ontruiming over te gaan. Verzoeker heeft zijn financiële situatie toegelicht en aangetoond dat hij in staat is om de huurtermijnen te voldoen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verweer van verweerster, dat de huurovereenkomst was ontbonden wegens onderverhuur zonder toestemming, niet voldoende steun vond in het proces-verbaal van de kantonrechter. De rechtbank heeft de voorlopige voorziening toegewezen, met de voorwaarde dat verzoeker de huurtermijnen tijdig blijft voldoen. Tevens is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, omdat het minnelijk traject nog niet was afgerond. De beslissing houdt in dat de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden wordt opgeschort, en dat de huurovereenkomst wordt verlengd voor dezelfde periode.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [rekestnummer 1] – [rekestnummer 2]
uitspraakdatum: 16 oktober 2025
[verzoeker],
wonende te [adres 1]
[postcode] [plaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 17 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 17 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 9 oktober 2025.
Ter zitting van 9 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mr. J. Pearson, advocaat van verzoeker (hierna: advocaat);
  • de heer [persoon A] , werkzaam bij Hef Wonen (hierna: verweerster);
  • mr. L.J. Verheij, advocaat van verweerster.
Mr. L.J. Verheij heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden om, overeenkomstig het bepaalde in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 21 mei 2025, tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en bijbehorende garage over te gaan.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij als bestuurder van twee ondernemingen maandelijks een inkomen heeft van € 2.500,-- netto. Verzoeker krijgt nu hulp en begeleiding om zijn ondernemingen op de juiste wijze te besturen. Het inkomen van verzoeker is voldoende om de maandelijkse huurtermijnen van € 562,04 voor de woning en € 143,59 voor de parkeerplaats te voldoen. Verzoeker heeft zich aangemeld bij Zuidweg en Partners voor schuldhulpverlening. Er heeft inmiddels een gesprek met Regionaal Bureau Zelfstandigen plaatsgevonden. Het schuldhulpverleningstraject bevindt zich in de beginfase. De huur over oktober 2025 is op 8 oktober 2025 voldaan. Verzoeker is zich er van bewust dat hij de huur tijdig, dus voor de eerste van de maand dient te voldoen.
Voor wat betreft het hierna te bespreken verweer stelt de advocaat van verzoeker dat uit het proces-verbaal niet voortvloeit dat de ontbinding ziet op onderhuur. In het proces-verbaal is opgenomen dat het gaat om een huurachterstand. Andere gestelde tekortkomingen zijn niet in het proces-verbaal opgenomen, zodat er schorsing kan volgen.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De huurovereenkomst is met wederzijds goedvinden geëindigd. Van een gedwongen ontruiming is geen sprake. Bovendien is er niet alleen sprake van ontbinding op grond van een huurachterstand, maar ook ontbinding op grond van onderhuur. Verzoeker heeft zonder toestemming van verweerster de woning en/of garage in onderhuur gegeven aan derden en hij had niet zijn hoofdverblijf in de woning en/of garage. Hiermee is niet voldaan aan de vereisten van artikel 305, tweede lid, Fw. Verzoeker heeft onvoldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maand oktober 2025 is te laat voldaan. Verweerster heeft er geen enkel vertrouwen in dat verzoeker in het vervolg de lopende huurtermijnen tijdig zal voldoen. Van verweerster kan niet worden gevergd dat zij verzoeker nog langer de woning laat gebruiken zonder dat daar enige vergoeding voor wordt ontvangen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 2 september 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 23 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 305, tweede lid, Fw. Kort gezegd volgt uit artikel 287b, vierde lid, Fw, in verbinding met artikel 305, tweede lid, Fw, dat een moratorium zoals in deze procedure is verzocht alleen kan worden toegewezen als de dreigende ontruiming van de huurwoning het gevolg is van een huurachterstand. Verweerster heeft aangevoerd dat de huurovereenkomst is ontbonden wegens onderverhuur zonder toestemming van de verhuurder. Daarmee zou niet zijn voldaan aan het hiervoor genoemde vereiste dat volgt uit artikel 287b, vierde lid, Fw in verbinding met artikel 305, tweede lid, Fw. Dit standpunt vindt geen steun in het proces-verbaal van 21 mei 2025. In dat proces-verbaal is alleen vermeld dat de huurovereenkomst eindigt wanneer verzoeker in de aflossingsperiode de aflossingen of de lopende huur niet betaalt. Daarmee is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 287b, vierde lid, Fw, in verbinding met artikel 305, tweede lid, Fw. Het verweer slaagt daarom niet.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 21 mei 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker zal zichzelf maandelijks € 2.500,-- netto uit zijn ondernemingen uitkeren als inkomen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoeker is zich er van bewust dat hij de huur tijdig, te weten voor de eerste van de maand, dient te voldoen. Het schuldhulpverleningstraject is inmiddels opgestart.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van de uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 21 mei 2025 voortvloeiende bevoegdheid van verweerster om tot ontruiming over te gaan van de huurwoning van verzoeker aan [adres 1] te [plaats] , alsmede de garage aan [adres 2] te [plaats] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 17 september 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025.