Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mr. J. Pearson, advocaat van verzoeker (hierna: advocaat);
- de heer [persoon A] , werkzaam bij Hef Wonen (hierna: verweerster);
- mr. L.J. Verheij, advocaat van verweerster.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om ontruiming van zijn woning en garage te voorkomen. De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming op 23 september 2025.
Verweerster stelde dat de huurovereenkomst was geëindigd vanwege onderhuur zonder toestemming, en dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 305 lid 2 Fw Pro. De rechtbank oordeelt echter dat het proces-verbaal enkel een huurachterstand vermeldt als grond voor ontbinding, waardoor het moratorium kan worden toegewezen.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die een schuldhulpverleningstraject is gestart en voldoende inkomen heeft om de huur te voldoen, zwaarder dan het belang van verweerster. De voorziening wordt onder voorwaarden toegewezen voor zes maanden, met verlenging van de huurovereenkomst en de verplichting tot tijdige betaling van de huur.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, vanwege het lopende minnelijk traject.
Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden en schort de ontruiming op onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.