AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toedeling huurrecht woning na beëindiging affectieve relatie medehuurders
Partijen hadden een affectieve relatie en waren contractueel medehuurders van een woning te Hoogvliet Rotterdam. Medio januari 2024 vertrok [persoon A] uit de woning, waarna onenigheid ontstond over de afwikkeling van diverse zaken. Na intrekking van de geldvorderingen over en weer, bleef alleen het geschil over de toedeling van het huurrecht over.
Op grond van artikel 7:267 lid 7 BWPro, dat overeenkomstig wordt toegepast bij beëindiging van de gezamenlijke huur door contractuele medehuurders, kan de rechter het huurrecht toewijzen aan de achterblijvende huurder. De kantonrechter wijst het huurrecht toe aan [persoon B] met ingang van 1 december 2025, waarbij terugwerkende kracht wordt vermeden vanwege de positie van de verhuurder die niet partij is in de procedure.
Partijen zijn het eens dat [persoon A] vanaf 1 april 2024 niet meer hoefde bij te dragen aan de huur en dat [persoon B] sinds die datum de volledige huur betaalde. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het huurrecht van de woning wordt toegewezen aan de achterblijvende huurder met ingang van 1 december 2025.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11600502 CV EXPL 25-6401
datum uitspraak: 14 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A],
woonplaats: [woonplaats A] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. J. van Egmond,
tegen
[persoon B],
woonplaats: [woonplaats B] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. M.B. Visser.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.
1.De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 6 maart 2025, met producties;
de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie met producties;
de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte aanvullende producties.
1.2.
Op 28 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [persoon A] , met mr. J. van Egmond en [persoon B] , met mr. L. Hofman (kantoorgenoot van mr. M.B. Visser).
1.3.
Tijdens de zitting op 28 oktober 2025 hebben partijen de geldvorderingen over en weer ingetrokken. Voorts hebben partijen afgesproken dat zij elkaar over en weer finale kwijting verlenen en dat ieder de eigen proceskosten zal dragen.
1.4.
Partijen hebben de kantonrechter verzocht vonnis te wijzen over de toedeling van het huurrecht van de woning.
2.De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Partijen hebben tot januari 2024 een affectieve relatie gehad en zijn contractueel medehuurder van de woning aan de [adres] te Hoogvliet Rotterdam. [persoon A] is medio januari 2024 uit de woning vertrokken. Tussen partijen is onenigheid ontstaan over de afwikkeling van een aantal zaken. Na intrekking van de geldvorderingen over en weer, gaat de zaak nog over het toedelen van het huurrecht van de woning aan [persoon B] op grond van artikel 7:267 lid 7 BWPro.
Het huurrecht van de woning wordt toegewezen aan [persoon B]
2.2.
Volgens rechtspraak is artikel 7:267 lid 7 BWPro van overeenkomstige toepassing in het geval contractuele medehuurders uit elkaar gaan [1] . Het gaat dan om gevallen waarin twee of meer personen gezamenlijk een huurovereenkomst met de verhuurder hebben gesloten en zij – anders dan in de door artikel 7:266 BWPro en artikel 7:267 BWPro bedoelde gevallen – allen partij zijn bij die overeenkomst. De overeenkomstige toepassing van artikel 7:267 lid 7 BWPro op gezamenlijke huur strekt zich blijkens die rechtspraak ook uit tot de werking tegenover de verhuurder. Als artikel 7:267 lid 7 BWPro wordt toegepast, eindigt de huurovereenkomst dus ten aanzien van de vertrekkende huurder(s) op de door de rechter bepaalde dag en wordt de huurovereenkomst ten aanzien van de achterblijvende huurder(s) voortgezet.
2.3.
Omdat partijen het met elkaar eens zijn dat het huurrecht van de woning aan [persoon B] moet worden toegedeeld, zal de kantonrechter het huurrecht aan [persoon B] toewijzen. De ingangsdatum wordt op 1 december 2025 gesteld. Hoewel de wet zich niet lijkt te verzetten tegen het toewijzen van huurrechten met terugwerkende kracht acht de kantonrechter dat toch onwenselijk vanwege de positie van de verhuurder, die geen partij is bij deze procedure. Omdat partijen het erover eens zijn dat [persoon A] vanaf 1 april 2024 niet meer bij hoefde te dragen aan het betalen van de huur en dat [persoon B] sinds die datum de gehele huur heeft betaald, hebben partijen ook geen belang bij toewijzing met terugwerkende kracht.
Proceskosten
2.4.
Partijen hebben afgesproken dat ieder de eigen proceskosten zal dragen, zodat een proceskostenveroordeling niet nodig is.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat het huurrecht van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) Hoogvliet Rotterdam wordt toegewezen aan [persoon B] met ingang van 1 december 2025 en dat [persoon A] de huur met ingang van die datum niet langer zal voortzetten;
3.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.