Eiseres huurt sinds november 2023 een woning van Havensteder en klaagde vanaf het begin over gebreken aan de verwarming en het ontbreken van warm water. Ondanks klachten waren deze problemen nog niet opgelost, waarna eiseres een kort geding startte met verzoek tot herstel van gebreken en huurprijsvermindering.
Tijdens de procedure erkende Havensteder de klachten en voerde tijdelijke oplossingen in, zoals het plaatsen van losse kachels en een tijdelijke boiler. Definitieve herstelwerkzaamheden aan het rookgaskanaal konden pas worden uitgevoerd na medewerking van buren, die deze medewerking niet verleenden. Tijdens de zitting maakten partijen afspraken over de uitvoering van de werkzaamheden, die inmiddels zijn uitgevoerd, waarna eiseres haar vordering tot herstel introk maar de huurprijsvermindering handhaafde.
De kantonrechter oordeelt dat een vordering tot huurprijsvermindering in beginsel een bodemprocedure vereist omdat het een wijziging van de rechtstoestand betreft. In kort geding kan slechts een voorlopige beoordeling plaatsvinden. Hoewel een ordemaatregel mogelijk is, ontbreekt het spoedeisend belang omdat de gebreken inmiddels zijn hersteld. Daarnaast is onduidelijk welk bedrag en welke periode voor huurprijsvermindering in een bodemprocedure passend zou zijn.
De kantonrechter erkent dat het woongenot door de gebreken verminderd was, maar acht het middel van huurprijsvermindering niet langer noodzakelijk om herstel af te dwingen. De vordering wordt daarom afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd omdat beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld en de procedure nodig was om Havensteder tot herstel te bewegen.