ECLI:NL:RBROT:2025:14188

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
C/10/702419 / JE RK 25-1354
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 JwArtikel 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met complexe gedragsproblemen

De Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht verzocht om verlenging van de machtiging gesloten jeugdhulp en toezicht voor een minderjarige met ernstige gedrags- en psychiatrische problemen. De minderjarige verblijft sinds enige tijd in een gesloten accommodatie en vertoont positieve, maar nog prille, ontwikkeling. De moeder stemt in met de hulpverlening, hoewel zij de situatie verdrietig vindt.

De kinderrechter nam diverse stukken mee in de beoordeling, waaronder rapportages van de Raad en een gedragswetenschapper. Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren vertegenwoordigers van de Raad, de gecertificeerde instelling, de advocaat van de minderjarige en de moeder aanwezig. Een beëdigde tolk ondersteunde de communicatie met de moeder.

De kinderrechter oordeelde dat de gesloten jeugdhulp noodzakelijk is vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de minderjarige ernstig belemmeren. Minder ingrijpende alternatieven zijn niet gebleken. De machtiging wordt verleend voor drie maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zodat de beslissing direct geldt. De kinderrechter benadrukte dat de gesloten plaatsing zo kort mogelijk moet duren en dat er spoedig gezocht moet worden naar een passende vervolgplek dichter bij de moeder.

Uitkomst: Machtiging gesloten jeugdhulp verleend voor drie maanden met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/702419 / JE RK 25-1354
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. N.S. van der Vliet kantoorhoudende te Rotterdam,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] .
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 22 juli 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het aanvullende rapport van de Raad met bijlagen, van 10 oktober 2025;
  • de verklaring van de gedragswetenschapper van 20 oktober 2025, ingekomen op 21 oktober 2025.
1.2.
Op 21 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de advocaat van [minderjarige] ;
  • de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .
1.3.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Spaanse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 3] , tolk in de Spaanse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan [naam 4] , de begeleider van de moeder vanuit Maanzorg.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting, via videobelverbinding, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op een gesloten groep van [naam instelling] in [plaatsnaam] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 22 juli 2026. Tevens heeft de kinderrechter bij die beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend tot 28 oktober 2025.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stelen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden. Aansluitend verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
Op een gedeelte van het verzoek is reeds beslist. Er moet nog een beslissing worden genomen op het aansluitende verzoek van de Raad, te weten de uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden.
3.3.
Bij de aanvullende rapportage van 10 oktober 2025 heeft de Raad het restant van het verzoek gewijzigd, in die zin dat uitsluitend wordt verzocht een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het gewijzigde verzoek ter zitting. De Raad verwijst daarbij naar het schriftelijke verzoek en de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper die is overgelegd.
4.2.
De GI stemt ter zitting in met het verzoek van de Raad. [minderjarige] verblijft momenteel op een gesloten groep van [naam instelling] waar hij goed op zijn plek zit. Eerder verbleef [minderjarige] op een open groep van [naam instelling] waar er dagelijks incidenten plaatsvonden. Sinds [minderjarige] zijn plaatsing op de gesloten groep hebben er geen incidenten meer plaatsgevonden. [minderjarige] heeft op de gesloten groep een goede mentor en fijne begeleiding. [minderjarige] ontvangt hier de juiste structuur, grenzen en duidelijkheid. De GI denkt dat [minderjarige] minimaal zes maanden nodig heeft om verder te stabiliseren. Wanneer [minderjarige] gestabiliseerd is en de nodige vaardigheden heeft opgedaan, wordt er gezocht naar een open groep, het liefst in de buurt van de moeder. Binnenkort start [minderjarige] vanuit [naam instelling] met het volgen van onderwijs.
4.3.
De moeder voert ter zitting geen verweer tegen het verzoek van de Raad. De moeder stemt in met alle vormen van hulpverlening die [minderjarige] ten goede komen. Toen [minderjarige] nog thuis woonde vertoonde hij vaak wegloopgedrag en besefte hij niet wat de gevolgen daarvan waren. De moeder vindt de situatie zoals die nu is heel verdrietig, maar vindt desondanks dat de maatregelen genomen moeten worden die in het belang zijn van [minderjarige] . Inmiddels is [minderjarige] al zes of zeven maanden uit huis geplaatst en is nog steeds niet duidelijk wat [minderjarige] nodig heeft. De moeder betwijfelt of dit in de komende drie maanden gaat veranderen.
4.4.
Namens [minderjarige] wordt ter zitting ingestemd met het verzoek van de Raad. De advocaat van [minderjarige] voert aan dat het initiële doel was om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een zo kort mogelijke periode toe te wijzen en een gesloten plaatsing te voorkomen. De advocaat van [minderjarige] is blij dat [minderjarige] inmiddels op zijn plek zit, maar ziet ook dat de groep eigenlijk niet aansluit bij [minderjarige] zijn problematiek. De advocaat van [minderjarige] vreest dat er een moment komt dat [minderjarige] wordt overvraagd op de groep. [minderjarige] wilt het liefst terug naar zijn moeder maar ziet ook in dat dit niet van de een op de andere dag zal lukken. Namens [minderjarige] wordt het standpunt ingenomen dat de gesloten machtiging niet langer dan noodzakelijk moet duren en dat gekeken moet worden naar een minder ingrijpende maatregel, dichterbij de moeder.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
5.2.
[minderjarige] kampt met complexe gedrags- en psychiatrische problemen en beschikt over beperkte cognitieve vaardigheden. Vanwege deze problematiek verbleef hij eerder op een gesloten groep van Bergse Bos. In september is [minderjarige] overgeplaatst naar een open groep van [naam instelling] in Oosterbeek. Binnen een week bleek deze plaatsing niet houdbaar, omdat [minderjarige] zichzelf en anderen herhaaldelijk in onveilige situaties bracht. Er was bij [minderjarige] sprake van zelfbepalend gedrag, weglopen en forse woede-uitbarstingen, waarbij de groepsleiding geweld werd aangedaan en spullen op de groep door hem beschadigd werden. [minderjarige] verblijft sinds enkele weken op een gesloten groep van [naam instelling] in [plaatsnaam] waar hij een positieve ontwikkeling laat zien. Sinds deze plaatsing hebben er geen grote incidenten meer plaatsgevonden. Deze positieve ontwikkeling is nog pril en het is van belang dat [minderjarige] verder stabiliseert binnen de huidige setting van [naam instelling] . Op de gesloten groep van [naam instelling] kan [minderjarige] in een rustige omgeving stapsgewijs toewerken naar meer vrijheden en zelfstandigheid. Alle betrokkenen zijn het er met elkaar over eens dat dit voor nu het meest in het belang van [minderjarige] is. De kinderrechter benadrukt daarbij wel dat een gesloten plaatsing zo kort mogelijk moet duren. Er moet dan ook zo spoedig mogelijk onderzocht worden hoe [minderjarige] het beste kan worden geholpen en welke vervolgplek daarbij passend voor hem is. Het is belangrijk dat de komende periode ingezet wordt op het vergroten van de vaardigheden bij [minderjarige] op het gebied van emotieregulatie, zodat kan worden ingezet op behandeling. Daarnaast moet er gewerkt worden aan het behouden van het contact tussen [minderjarige] en de moeder, gezien de huidige reisafstand.
5.3.
Gelet op het voorgaande en gezien ook de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 20 oktober 2025, zal de kinderrechter de machtiging gesloten jeugdhulp verlenen voor de duur van de verzochte drie maanden, te weten tot 21 januari 2026.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 28 oktober 2025 tot 28 januari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 25 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).