In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen Stichting Hef Wonen en twee gedaagden, die niet in de procedure zijn verschenen. De eiseres, Hef Wonen, heeft de gedaagden aangeklaagd wegens huurachterstand en heeft verzocht om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gedaagden sinds 22 augustus 2022 een huurachterstand hebben opgebouwd van € 6.725,83. De kantonrechter heeft het opslagbeding in de huurovereenkomst vernietigd, waardoor de huurprijs alleen op basis van het indexatiebeding mocht worden verhoogd. Dit heeft geleid tot een lagere huurachterstand dan door Hef Wonen was gevorderd. De kantonrechter heeft de huurovereenkomst ontbonden en de gedaagden veroordeeld om de woning binnen veertien dagen te ontruimen. Tevens zijn de gedaagden veroordeeld tot betaling van de huurachterstand met wettelijke rente, maar zijn de gevorderde incassokosten afgewezen wegens een oneerlijk beding in de huurovereenkomst. De proceskosten zijn voor rekening van de gedaagden, die grotendeels ongelijk hebben gekregen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.