ECLI:NL:RBROT:2025:14274

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
11927862 VV EXPL 25-620
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 lid 1 RvArt. 139 RvArt. 237 RvArt. 233 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand

In deze kort geding procedure heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden vanwege een huurachterstand van €7.204,44, wat neerkomt op meer dan tien maanden niet-betaalde huur. De gedaagde is verstek verklaard omdat hij niet is verschenen bij de zitting. De rechter acht het voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de ontbinding zal worden bevestigd.

De kantonrechter veroordeelt de gedaagde om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen en het gehuurde met alle sleutels aan de eiser ter beschikking te stellen. Tevens wordt de gedaagde veroordeeld tot betaling van de huurachterstand. Incassokosten en rente worden afgewezen omdat de algemene voorwaarden niet zijn overgelegd, waardoor niet kan worden beoordeeld of deze kosten terecht zijn.

De proceskosten worden volledig aan de gedaagde opgelegd, begroot op €1.366,45, met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks eventuele hoger beroep procedures.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van de huurachterstand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11927862 VV EXPL 25-620
datum uitspraak: 10 november 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: Edgeware, Middlesex (Verenigd Konikrijk),
eiser,
gemachtigde: mr. Th. C. Visser,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 18 oktober 2025, met bijlagen;
  • de akte van [eiser], met bijlage.
1.2.
Op 27 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting met mr. Th. C. Visser besproken. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is. De eis wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv Pro).
[gedaagde] moet de woning ontruimen
2.2.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden. Er is namelijk een huurachterstand van € 7.204,44 en dat is een achterstand van meer dan tien maanden. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de ontbinding en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen. Dit moet hij doen binnen vijf dagen nadat dit vonnis aan hem is betekend.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 7.204,44 betalen
2.3.
[gedaagde] wordt veroordeeld om het geëiste bedrag van € 7.204,44 aan [eiser] te betalen, omdat ook deze eis niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv Pro).
[gedaagde] hoeft geen incassokosten en rente te betalen
2.4.
De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. Ter zitting is gebleken dat [eiser] als handelaar optreedt, omdat hij meerdere panden heeft volgens het kadaster. Daarom moet de kantonrechter ambtshalve de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de huurovereenkomst toetsen. Deze algemene voorwaarden zijn echter niet in het geding gebracht waardoor de kantonrechter niet kan toetsen of er oneerlijke bepalingen in staan. Het is daardoor onduidelijk of de incassokosten en rente in een bodemprocedure zouden worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.5.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 543,00 aan griffierecht, € 543,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.366,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.6.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 7.204,44;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 5 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiser] te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.366,45 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
62574