ECLI:NL:RBROT:2025:14308

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
ROT 25/8833
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake bijstandsuitkering op basis van de Participatiewet

Op 25 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen in de zaak tussen het dagelijks bestuur van Stroomopwaarts MVS en de verzoeker, vertegenwoordigd door mr. G.A.S. Maduro. De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag om bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet door Stroomopwaarts, die op 20 oktober 2025 is genomen. De verzoeker had bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij tijdens de bezwaarprocedure een uitkering zou ontvangen.

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de verzoeker in 2016 Nederland heeft verlaten en naar België is verhuisd, waarna hij in Egypte verbleef en uiteindelijk terugkeerde naar Nederland. Bij zijn aanvraag om bijstandsuitkering op 12 september 2025 heeft hij bankafschriften overgelegd, maar er was onduidelijkheid over zijn feitelijke verblijfplaats. Stroomopwaarts heeft een onderzoek ingesteld en geconcludeerd dat de verzoeker zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat hij onvoldoende controleerbare gegevens heeft verstrekt over zijn verblijfplaats. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was voor het treffen van een voorlopige voorziening, omdat de verzoeker niet voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op bijstand.

De voorzieningenrechter benadrukte dat de aanvrager van bijstand de bewijslast heeft om aan te tonen dat hij recht heeft op bijstand en dat dit ook geldt voor daklozen. De voorzieningenrechter wees het verzoek af en concludeerde dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. De uitspraak is gedaan in aanwezigheid van de griffier, mr. D.J. Bes, en is openbaar uitgesproken op dezelfde datum.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8833

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

25 november 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,
(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),
en

Het dagelijks bestuur van Stroomopwaarts MVS, Stroomopwaarts,

(gemachtigde: mr. E. Calmera).

Procesverloop

1.1.
Met het besluit van 20 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft Stroomopwaarts de aanvraag van verzoeker om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 november 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verzoeker is, zonder bericht vooraf, niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Achtergrondinformatie
2. Verzoeker is in 2016 uit Nederland vertrokken en naar België verhuisd. Hierna heeft verzoeker in Egypte verblijven en is hij vervolgens weer naar Nederland teruggekeerd. Bij terugkeer heeft verzoeker zich gemeld bij de gemeente Rotterdam voor een bijstandsuitkering. De gemeente Rotterdam heeft hem doorverwezen naar de gemeente Vlaardingen omdat daar zijn laatste inschrijfadres was. De in deze zaak voorliggende aanvraag om een bijstandsuitkering heeft verzoeker op 12 september 2025 ingediend.
Onderzoek naar recht op bijstand
3. Bij de aanvraag heeft verzoeker onder meer bankafschriften overgelegd. Op de afschriften staat het adres [adres 1] vermeld. Ook blijkt hieruit dat verzoeker vijf transacties bij een betaalautomaat heeft gedaan, waarvan vier in Rotterdam, één in Spijkenisse en nul in een gemeente die valt binnen het werkgebied van Stroomopwaarts. Op dat moment stond verzoeker nog niet in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven met een woon- of briefadres. Stroomopwaarts is naar aanleiding daarvan een onderzoek gestart om te kijken of verzoeker zijn feitelijk hoofdverblijf in Vlaardingen heeft. Dit onderzoek bestond onder meer uit het opvragen van informatie bij verzoeker en het voeren van gesprekken met verzoeker. Uit al dit onderzoek bleek dat verzoeker eerst in Vlaardingen in een personenauto van een kennis van het [restaurant] had geslapen en later dat verzoeker twee weken niet in Vlaardingen had verbleven, maar in Rotterdam bij een kennis in een bedrijfspand had geslapen. Verzoeker staat per 3 oktober 2025 met een briefadres op de [adres 2] (daklozenopvang) in Vlaardingen ingeschreven. Het tweede gesprek heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2025. Dit gesprek is door verzoeker voortijdig afgebroken. Stroomopwaarts concludeert dat verzoeker de inlichtingenplicht heeft geschonden. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.
Waar gaat het in deze zaak om?
4. Stroomopwaarts heeft op grond van het onderzoek de aanvraag om een bijstandsuitkering afgewezen, omdat verzoeker de inlichtingenplicht heeft geschonden. Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hem een bijstandsuitkering tijdens de bezwaarprocedure wordt uitbetaald.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er een spoedeisend belang?
6.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
6.2.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij geen vaste woon- en verblijfplaats heeft en de bijstand nodig heeft om de kosten voor levensonderhoud te kunnen betalen. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang en zal de zaak daarom inhoudelijk beoordelen.
Beoordelingskader
7. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat vindt de voorzieningenrechter inhoudelijk van deze zaak?
8.1.
De in deze zaak te beoordelen periode loopt van 12 september 2025 (de datum van de bijstandsaanvraag) tot en met 20 oktober 2025 (de datum van het bestreden besluit).
8.2.
Iemand die bijstand aanvraagt, moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn woon- en verblijfplaats. Ook van iemand die dakloos is, kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Dit een en ander volgt uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), bijvoorbeeld de uitspraak van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2034.
8.3.
In geding is of verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn feitelijke verblijfplaats heeft in Vlaardingen. Hoewel verzoeker is ingegaan op de uitnodigingen van Stroomopwaarts en enige informatie heeft verschaft over zijn verblijfplaats is hij uiteindelijk tijdens het tweede gesprek boos weggegaan. De voorzieningenrechter vindt in de gegeven omstandigheden de emotie van verzoeker op zichzelf best invoelbaar en hij begrijpt dat het zo is gegaan. Daar tegenover staat dat gratis geld niet bestaat en dat de aanvrager moet voldoen aan allerlei verplichtingen. Ook als een bijstandsverlenende instantie vragen stelt die de aanvrager niet bevallen of als, zoals door verzoeker gesteld, de bijstandsverlenende instantie bij herhaling dezelfde vragen stelt, zal de aanvrager volledige medewerking moeten verlenen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Stroomopwaarts op basis van de informatie in de rapportage zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat onvoldoende duidelijk was waar verzoeker feitelijk hoofdzakelijk verbleef. Zo blijkt hieruit dat verzoeker tijdens het tweede gesprek onder meer heeft verklaard dat hij de laatste twee weken niet in Vlaardingen heeft verbleven maar in Rotterdam, alwaar hij bij een kennis in een bedrijfspand heeft geslapen. De voorzieningenrechter kan Stroomopwaarts daarom volgen in het standpunt dat verzoeker ten tijde van belang onvoldoende controleerbare gegevens heeft verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Daarmee kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Er zijn dus op dit moment onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. De mogelijkheid bestaat dat verzoeker, met behulp van zijn advocaat, in de bezwaarfase alsnog met duidelijke informatie komt over zijn verblijfsplaats waardoor het recht op bijstand wél kan worden vastgesteld of geconcludeerd moet worden dat verzoeker toch in Rotterdam een bijstandsaanvraag moet doen omdat hij daar zijn verblijfplaats heeft. Zoals besproken op zitting, heeft de voorzieningenrechter echter niet de verwachting dat het recht op bijstand alsdan met terugwerkende kracht kan worden vastgesteld maar enkel naar de toekomst toe. Gelet op al het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen als gevraagd.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage

Participatiewet
Op grond van artikel 17, eerste lid, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties.
Op grond van artikel 40, eerste lid, bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat bijstand aan een belanghebbende die niet is ingeschreven als ingezetene met een woonadres of briefadres in de basisregistratie personen wordt verleend door het college van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.