ECLI:NL:RBROT:2025:14310

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
ROT 25/7978 en ROT 25/6131
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beëindiging van Ziektewet-uitkering en verzoek om voorlopige voorziening

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser uit Schiedam en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Eiser had een beroep ingesteld tegen de beëindiging van zijn Ziektewet-uitkering per 14 maart 2025, welke beslissing was gebaseerd op de conclusie van verzekeringsartsen dat hij weer arbeidsgeschikt was. Eiser was het niet eens met deze conclusie en verzocht om een voorlopige voorziening om een deel van de uitkering over de maanden maart tot en met juli 2025 te ontvangen. De voorzieningenrechter heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De rechter oordeelde dat het UWV zich terecht had gebaseerd op de rapportages van de verzekeringsartsen, die hadden vastgesteld dat eiser op de datum in geding geschikt was voor zijn arbeid. De voorzieningenrechter concludeerde dat de gestelde beperkingen van eiser niet objectief medisch waren vastgesteld en dat het UWV op basis van de medische adviezen kon besluiten dat eiser niet langer in aanmerking kwam voor een Ziektewet-uitkering. De uitspraak benadrukt het belang van objectieve medische vaststellingen in het kader van arbeidsongeschiktheid en de rol van verzekeringsartsen in dit proces.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/7978 (verzoek) en ROT 25/6131 (hoofdzaak)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser], uit Schiedam, eiser,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: mr. M. van Grinsven).

Inleiding

1.1.
Met het besluit van 14 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het UWV eisers uitkering op grond van de Ziektewet (Zw) per 14 maart 2025 beëindigd.
1.2.
Met het besluit van 29 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Op 9 september 2025 en 25 oktober 2025 heeft het UWV verweerschriften overgelegd.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het UWV.
1.5.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak over de uitschrijving, beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2.1.
Eiser ontving in de periode van 7 augustus 2023 tot met 6 oktober 2024 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
2.2.
Eiser heeft zich per 24 september 2024 ziekgemeld bij het UWV. Met het besluit van 22 oktober 2024 heeft het UWV aan eiser een voorschot op zijn Zw-uitkering per
7 oktober 2024 toegekend. Met het besluit van 21 november 2024 heeft het UWV aan eiser een Zw-uitkering per 7 oktober 2024 toegekend.
2.3.
Het UWV heeft bij besluit van 6 februari 2025 de uitbetaling van de ZW-uitkering geschorst met ingang van 4 februari 2025. De reden hiervoor is dat eiser volgens het UWV geen gehoor heeft gegeven aan de oproep om op het spreekuur van de verzekeringsarts op
4 februari 2025 te verschijnen. Met het besluit van 10 maart 2025 heeft het UWV de uitbetaling van de Zw-uitkering met ingang van 7 maart 2025 hervat omdat de reden van schorsing niet meer geldt.
2.4.
Met het primaire besluit heeft het UWV eisers Zw-uitkering per 14 maart 2025 beëindigd. Volgens het UWV is eiser vanaf deze datum weer arbeidsgeschikt voor zijn eigen werk als manager. Het UWV baseert dit op de verzekeringsgeneeskundige rapportage van de primaire verzekeringsarts van 14 maart 2025. Met het bestreden besluit heeft het UWV het primaire besluit gehandhaafd. Het UWV heeft aan dit besluit de medische rapportage UWV van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) van 25 juli 2025 ten grondslag gelegd.
Wat vindt verzoeker?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het UWV hem de helft van de gevraagde Zw-uitkering over de maanden maart tot en met juli 2025 toekent, oftewel een bedrag van € 6.180,-. Eiser voert aan dat hij na 17 jaar te hebben gewerkt recht heeft op een Zw-uitkering. Het UWV heeft zich volgens eiser ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij vanaf 14 maart 2025 weer arbeidsgeschikt was voor zijn eigen werk. Hij was op dat moment nog niet volledig hersteld. Eiser kampt(e) met meerdere klachten: burn out, depressie, blessures, mentaal en lichamelijk ziek zijn, nekpijn, rugpijn (hernia), spierpijn, lichte hersenvliesontsteking, overgewicht, veel hoofdpijn, gebroken arm, gebroken voet, gescheurde spier in de arm, hoge vitamine B12, lage vitamine D, ontstoken ogen, verkouden, koorts en kankersymptomen. Ter onderbouwing van zijn medische situatie heeft eiser foto’s en doktersbrieven overgelegd. Solliciteren in die periode had volgens eiser negatieve gevolgen voor zijn gezondheid.
Wat vindt de voorzieningenrechter inhoudelijk van deze zaak?
8.1.
De vereisten om in aanmerking te komen voor ziekengeld voor een verzekerde die geen werkgever heeft (nadat de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werk is verstreken) staan in artikel 19aa, eerste lid, van de Zw. Voor ziekengeld komt, kort gezegd, in aanmerking de verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en wegens een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
8.2.
Niet in geding is dat de maatgevende arbeid terecht is vastgesteld op het verrichtte werk van manager bij Daamen van Sluis Accountants Belastingadviseurs voor 40 uur per werk.
8.3.
Het UWV heeft zich gebaseerd op de verzekeringsgeneeskundige rapportages van de verzekeringsartsen van 14 maart 2025 en 11 augustus 2025, waarin wordt geconcludeerd dat eiser per 14 maart 2025 geschikt is voor de maatgevende arbeid, zijn werk als manager bij [naam bedrijf].
8.4.
Een bestuursorgaan mag, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, dit advies betrekken bij zijn beoordeling, mits dit advies op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Dit volgt mede uit artikel 3:9 van de Awb op grond waarvan een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen of het onderzoek van de adviseur zorgvuldig heeft plaatsgevonden.
8.5
De verzekeringsartsen hebben eiser op 10 maart 2025 en 22 juli 2025 onderzocht. In het medisch advies van 14 maart 2024 staat vermeld dat de sociaal-medisch verpleegkundige betrokken is geweest bij het vergaren van de informatie. Verder staat in dit advies vermeld dat het dossier is bestudeerd en een anamnese en een psychologisch onderzoek hebben plaatsgevonden. Er heeft geen lichamelijk onderzoek plaatsgevonden omdat dat volgens de primaire arts geen toegevoegde waarde heeft. Ten slotte staat in het medisch advies van 14 maart 2024 vermeld dat er op 10 maart 2025 een telefonisch overleg met de huisarts van eiser heeft plaatsgevonden. In het medisch advies van 25 juli 2025 is vermeld dat het dossier is bestudeerd en een psychologisch en lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Naast dit onderzoek is het advies van de verzekeringsarts B&B ook gebaseerd op de bij het bezwaarschrift overgelegde informatie, waaronder de brieven van de huisartsen Van Leeuwen en Kop van 29 november 2023, 11 januari 2024 en 27 juni 2017. Zoals blijkt uit het bestreden besluit en de toelichting op zitting heeft het UWV zich ervan vergewist dat de adviezen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.
8.6.
Eiser kan zich niet vinden in de conclusie van de verzekeringsartsen dat hij weer arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werk als manager. Uit het door de verzekeringsarts B&B verrichtte lichamelijk onderzoek is gebleken dat sprake is van een full range of motion aan beide kanten van de schouder gordel, ellenbogen, handen en knieën. Bij de armen en handen is geen roodheid, zwelling of standsafwijking waargenomen. Eiser kan op hakken en tenen staan en lopen, en tot de grond hurken. Bij eiser is een handen krachtscore van 5/5 gemeten. Uit het door de verzekeringsarts B&B verrichtte psychologisch onderzoek is gebleken dat de aandacht en concentratie goed te trekken en behouden zijn. Eiser vertelt zijn verhaal helder en in chronologische volgorde en reageert adequaat op vragen. Eiser heeft minder conventionele ideeën over gezondheid en het ontstaan van ziekte. Los daarvan zijn geen stoornissen in het denken of waarnemen opgevallen. Het affect en emoties modeleren is normaal. Op basis van dit onderzoek, het door de primaire verzekeringsarts verrichtte onderzoek en de door eiser aangeleverde informatie is het de verzekeringsarts B&B niet gebleken dat er een medisch substraat aan de vermelde klachten ten grondslag ligt. Bovendien zijn er geen diagnoses uit de behandelende sector of lopende behandelingen. Hoewel de verzekeringsarts B&B net als de primaire verzekeringsarts is opgevallen dat eiser moeilijk te plaatsen uitspraken over zijn gezondheid doet blijkt uit de eerder opgevraagde informatie bij de huisarts niet dat eiser bekend is met een psychiatrische stoornis. Ook de bevindingen tijdens het spreekuur en de psychologische onderzoeken bieden volgens de verzekeringsarts B&B hiertoe geen aanknopingspunten. In de bij het bezwaarschrift overgelegde foto’s is ook niet gebleken van nieuwe medische informatie die aanleiding zou moet geven om te twijfelen aan de conclusie van het advies, aldus de verzekeringsarts B&B. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het vorenstaande dat de verzekeringsarts B&B op adequate wijze heeft onderbouwd dat de belasting in functie als manager in overeenstemming is met de belastbaarheid van eiser. In wat eiser daar tegenover heeft gesteld ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordelingen. De door eiser in beroep overgelegde medische informatie en foto’s zijn al meegewogen in het oordeel van de verzekeringsarts B&B. Dat verzoeker de ernst van de beperkingen anders inschat dan de verzekeringsartsen hebben gedaan is onvoldoende. De gestelde beperkingen zijn niet objectief medisch vastgesteld.
Dit betekent dat het UWV zijn besluiten kon baseren op de rapportages en conclusies van beide verzekeringsartsen en zich op grond daarvan op het standpunt mocht stellen dat eiser op de datum in geding geschikt is voor zijn arbeid, zodat hij niet langer in aanmerking komt voor een Zw-uitkering.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent eiser geen Zw-uitkering krijgt over de maanden maart tot en met juli 2025. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.