Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- mevrouw [persoon B] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster zou verbieden het vonnis tot ontruiming van zijn woonruimte uit te voeren. Dit verzoek is gedaan in het kader van een omzettingsverzoek in het faillissement van verzoeker. Verzoeker ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet en heeft geen eigen bankrekening, waardoor hij geen woonkostentoeslag ontvangt. De lopende huurtermijnen worden niet betaald, en ook de inwonende dochter kan financieel niet bijdragen aan de huur.
Verweerster stelt dat het verzoek moet worden afgewezen omdat het inkomen van verzoeker onvoldoende is om de huur te voldoen en de huurachterstand sinds juni 2024 is opgelopen tot €17.110,69. Hoewel verzoeker aangeeft mogelijk per januari 2026 een baan te hebben en geld te kunnen lenen, ontbreekt zekerheid hierover.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een spoedeisende situatie, maar dat het belang van verweerster zwaarder weegt omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de lopende huurtermijnen betaald zullen worden. De aanzienlijke huurachterstand en het ontbreken van stabiele financiële waarborgen leiden tot afwijzing van het verzoek.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende inkomsten en aanzienlijke huurachterstand.