ECLI:NL:RBROT:2025:14398

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
C/10/709065 / KG ZA 25-1077
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir derdenbeslag wegens ondeugdelijke vordering en disproportionaliteit

In deze kortgedingprocedure vordert eiser, een douane-expediteur, opheffing van conservatoir derdenbeslag dat door gedaagde, een importeur van groenten en fruit, is gelegd wegens een vermeende wanprestatie. Gedaagde stelt dat eiser onjuiste douaneaangiften heeft gedaan, waardoor een douaneschuld is ontstaan.

De rechtbank onderzoekt of eiser haar contractuele verplichtingen heeft geschonden en of het beslag gerechtvaardigd is. Uit de overeenkomst en de feitelijke samenwerking blijkt dat eiser enkel de door gedaagde verstrekte goederencodes moest toepassen en geen adviserende rol had. De zorgplicht van eiser is niet geschonden omdat zij geen aanleiding had om de juistheid van de instructies te betwijfelen.

Voorts is de vermeende schade onzeker en niet aannemelijk, mede omdat de betalingsverplichting nog betwist wordt en gedaagde rekening had moeten houden met de invoerrechten. De belangenafweging leidt tot opheffing van het beslag, omdat het beslag een ernstige belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van eiser, terwijl gedaagde voor de korte termijn uitstel van betaling heeft.

De rechtbank veroordeelt gedaagde in de proceskosten en wijst het meer of anders gevorderde af. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het conservatoir derdenbeslag wordt opgeheven wegens ondeugdelijkheid van de vordering en disproportionaliteit.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Handel en haven
Zaaknummer: C/10/709065 / KG ZA 25-1077
Uitgewerkt vonnis in kort geding van 3 december 2025
in de zaak van
[eiser],
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. G. Sibma,
tegen
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. N.M.J.H. van den Bogaard.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 oktober 2025, met producties 1 tot en met 17;
- de aanvullende productie 18 van [eiser] ;
- de mondelinge behandeling van 31 oktober 2025, tijdens welke mondelinge behandeling een verkort vonnis is gewezen;
- de pleitnota van [eiser] ;
- de spreekaantekeningen van [gedaagde] ;
- het verzoek van [eiser] van 6 november 2025 aan de rechtbank tot het verstrekken van een uitgewerkt vonnis en een proces-verbaal.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is een douane-expediteur. Zij verricht in opdracht van haar opdrachtgevers diverse werkzaamheden, waaronder het indienen van douaneaangiften voor uiteenlopende goederen, waarmee deze goederen in het vrije verkeer van de Unie worden gebracht.
2.2.
[gedaagde] is een importeur in groenten en fruit, waaronder tomaten. De geïmporteerde producten worden door [gedaagde] verder verwerkt voor de verkoop aan de retail, food service en industrie.
2.3.
Partijen doen sinds 2010 zaken met elkaar. Op 30 november 2020 hebben partijen een overeenkomst/machtiging voor het optreden als direct vertegenwoordiger gesloten, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

Artikel 2. VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN
2.1
De opdrachtgever ( [gedaagde] , opm vzr) is verplicht alle benodigde bescheiden, inlichtingen en gegevens nodig voor het uitvoeren van deze overeenkomst (ook per individuele zending/transactie) aan de Direct Vertegenwoordiger ( [eiser] , opm vzr) te verstrekken die mede op basis van de toepasselijke regelgeving en deze overeenkomst kunnen worden verlangd.
2.2
De Direct Vertegenwoordiger dient van de Opdrachtgever de benodigde bescheiden, inlichtingen en gegevens te verlangen waarvan het belang om een juiste aangifte te verrichten bij hem redelijkerwijs bekend is.
2.3
De Direct Vertegenwoordiger zal op basis van bovengenoemde gegevens de aangifte verrichten.
2.4.
[gedaagde] heeft onder meer in de periode van 1 januari 2020 tot en met begin 2023 regelmatig opdracht gegeven aan [eiser] om diverse partijen gedroogde tomaten die afkomstig waren uit Turkije, in het vrije verkeer van de Europese Unie te brengen. [eiser] trad daarbij op als douane-expediteur op basis van directe vertegenwoordiging en verzorgde in die hoedanigheid de invoeraangiften van deze goederen.
2.5.
Bij brief van 3 april 2025 heeft de Douane naar aanleiding van een controle over de periode van 1 januari 2020 tot 1 januari 2024 een voornemen tot het opleggen van een uitnodiging tot het doen van betaling (hierna: UTB) aan [gedaagde] kenbaar gemaakt. Op 19 april 2025 is de UTB van € 354.984,11 inclusief rente daadwerkelijk aan [gedaagde] opgelegd. De Douane stelt zich onder meer op het standpunt dat door [eiser] op 13 mei 2021 een onjuiste goederencode is gehanteerd en daardoor een onjuiste tariefindeling van de goederen is toegepast. De tomaten zijn door [eiser] aangegeven als “Sun Dried Tomato Diced” respectievelijk “Sun Dried Tomato Halves”, waarvoor een invoertarief geldt van 0%. Omdat aan de betreffende tomaten zout is toegevoegd had [eiser] de tomaten moeten aangeven als “tomaten, op een andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur”, waarvoor een invoertarief geldt van 14,4%. Hierdoor zijn er te weinig invoerrechten betaald door/namens [gedaagde] , waardoor een douaneschuld is ontstaan. [gedaagde] heeft tegen deze beslissing bezwaar ingediend.
2.6.
Bij brief van 3 juni 2025 heeft [gedaagde] [eiser] aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 212.112,65 exclusief rente, met de mededeling dat de UTB rechtstreeks voortvloeit uit onjuiste aangiften die [eiser] , als directe vertegenwoordiger van [gedaagde] , heeft opgesteld en ingediend.
2.7.
Bij brieven van 18 juli en 5 augustus 2025 heeft [eiser] de door [gedaagde] gestelde aansprakelijkheid afgewezen.
2.8.
Op 7 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant aan [gedaagde] verlof verleend om ten laste van [eiser] conservatoir derdenbeslag te leggen onder vier banken (de Coöperatieve Rabobank U.A., ABN Amro Bank N.V., ING Bank N.V. en ASN Bank N.V.). De vordering van [gedaagde] op [eiser] is daarbij begroot op € 316.277,00 inclusief rente en kosten. Op 20 en 28 oktober 2025 heeft [gedaagde] de beslagen doen leggen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1.1.
primair het beslag direct op te heffen, danwel [gedaagde] te veroordelen om het conservatoir derdenbeslag, dat zij heeft doen leggen onder [eiser] , direct na de betekening van dit vonnis op te heffen, op straffe van een dwangsom;
1.2.
subsidiair [eiser] toe te staan een bankgarantie te stellen voor maximaal het bedrag van 10.000 SDR uit de Nederlandse Expeditievoorwaarden, waarbij de hoogte van het bedrag wordt vastgesteld op € 13.000,00, althans een bankgarantie door de voorzieningenrechter te bepalen tot een maximum van € 316.277,00;
1.3.
veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. [eiser] doet een beroep op de onrechtmatigheid (de voorzieningenrechter begrijpt: ondeugdelijkheid) van de vordering en op de disproportionaliteit en onnodigheid van beslag.
4.2.
[gedaagde] stelt onder meer het volgende. [gedaagde] heeft een vordering op [eiser] omdat [eiser] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen en daardoor sprake is van wanprestatie aan de zijde van [eiser] . Als gevolg hiervan lijdt [gedaagde] schade. [eiser] profileert zich als specialist op het gebied van douaneformaliteiten en is als douane-expediteur verantwoordelijk voor het doen van correcte aangiften bij de import van onder meer tomaten. [eiser] had [gedaagde] , naar aanleiding van de door [gedaagde] aan [eiser] verstrekte gegevens met betrekking tot de betreffende gedroogde tomaten, moeten wijzen op de mogelijkheid van het hanteren van een onjuiste goederencode door [gedaagde] . [eiser] heeft hierin geen/onvoldoende advies, sturing of duiding gegeven. Daarnaast geldt dat [eiser] als opdrachtnemer een zorgplicht heeft. Zij dient te handelen als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Van [eiser] mocht daarom onder andere worden verwacht dat zij controles uitvoert, nader onderzoek verricht en dat zij op de hoogte is van de ontwikkelingen binnen haar vakgebied. Dit alles heeft [eiser] niet gedaan.
4.3.
De vraag die allereerst voorligt is of [eiser] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen, zoals [gedaagde] stelt. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de overeenkomst, gelet op haar aard, inhoud en achtergrond, met toepassing van de Haviltex-norm niet zo kan worden uitgelegd dat [eiser] gehouden was tot de advisering en begeleiding die [gedaagde] van [eiser] verwachtte. Daartoe is het volgende van belang.
4.4.
Allereerst volgt uit de overeenkomst enkel dat [gedaagde] [eiser] de benodigde gegevens dient te verstrekken die van belang zijn om een juiste aangifte te verrichten. Uit de
Overeenkomst, uitgelegd naar de Haviltex-maatstaf, volgt niet dat [eiser] daarbij tevens een adviserende rol tegenover [gedaagde] dient te vervullen. Dit wordt bevestigd door de wijze waarop partijen in de praktijk uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst. In dat kader heeft [eiser] onweersproken gesteld dat partijen sinds 2010 met elkaar samenwerkten en dat de samenwerking verliep volgens een vast patroon. Om de betreffende douaneaangiften in te kunnen dienen, stuurde [gedaagde] per e-mail voor elke afzonderlijke opdracht de benodigde gegevens (“data”) van het betreffende product. Onderdeel van die data is de goederencode. Aan de hand van de goederencode werd de hoogte van het invoerrecht van het betreffende product bepaald. [gedaagde] gaf [eiser] steeds een specifieke opdracht waarin iedere keer expliciet werd vermeld welke goederencode moest worden toegepast. [eiser] heeft altijd, in overeenstemming met de aan haar verstrekte opdracht, de douaneaangifte ingediend met toepassing van die goederencode. Er werd niet om advies gevraagd en er is ook niet voor advieswerkzaamheden betaald.
4.5.
Gelet hierop is aldus niet aannemelijk geworden dat [eiser] tevens een adviserende rol diende te vervullen tegenover [gedaagde] , zodat ook niet aannemelijk is geworden dat [eiser] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen.
4.6.
Voorts is de zorgplicht, die op [eiser] rustte, naar voorshands oordeel niet geschonden omdat de opdrachten die [eiser] van [gedaagde] ontving geen reden gaven tot twijfel aan de juistheid van de door [gedaagde] gegeven instructies op het punt van de goederencodes. Dat [eiser] de goederen niet zelf kon of hoefde te inspecteren staat vast. In dat kader is voorts van belang dat [eiser] onweersproken heeft gesteld dat [gedaagde] bekend is met het bestaan van verschillende goederencodes. [gedaagde] heeft [eiser] opdracht gegeven om “Frozen Organic Semi Dried Diced Tomatoes” in het vrije verkeer van de Unie te brengen, met toepassing van de goederencode die een invoertarief van 0 % kent, terwijl [gedaagde] [eiser] in het verleden ook opdracht heeft gegeven om “Frozen Marinated Semi Diced Tomatoes” in het vrije verkeer van de Unie te brengen, waarbij wel de hoogbelaste goederencode van 14 % moest worden gehanteerd. Ter onderbouwing hiervan verwijst [eiser] naar de betreffende factuur. Van een door [gedaagde] verstrekte goederenomschrijving waaruit [eiser] zonder meer had kunnen afleiden dat de door [gedaagde] gehanteerde goederencode onjuist was (bijvoorbeeld omdat deze helemaal niet op tomaten sloeg) is bij de opdrachten die in verband staan tot de nu relevante UTB’s geen sprake geweest.
4.7.
Verder is het zeer de vraag of en in hoeverre de betalingsverplichting die uit de UTB’s voortvloeit is aan te merken als schade. [gedaagde] is van mening dat zij schade lijdt doordat de Douane haar UTB’s heeft opgelegd wegens de onjuiste indeling van de betreffende tomaten. Zij heeft de douaneschuld niet kunnen verdisconteren in de verkoopprijs van de tomaten, aldus [gedaagde] .
4.8.
Nog daargelaten dat er bezwaar is ingediend, zodat de betalingsverplichting nog niet vast staat, is een enkele betalingsverplichting waarop [gedaagde] niet gerekend had niet zonder meer schade. Als de douaneschuld komt vast te staan is deze gebaseerd op het bedrag aan invoerrechten dat gold op het moment waarop de tomaten werden ingevoerd. Dit betekent dat [gedaagde] dit bedrag hoe dan ook verschuldigd zou zijn geweest. [gedaagde] wordt geacht haar eigen producten behoorlijk te kennen. Daaruit volgt dat zij had moeten weten welke invoerrechten vermoedelijk verschuldigd zouden zijn en daarmee rekening had kunnen en moeten houden. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van schade.
4.9.
Gelet op het voorgaande is zowel het bestaan als de omvang van de vordering waarvoor beslag is gelegd zeer onzeker, zodat kan worden vastgesteld dat de vordering van [gedaagde] op [eiser] summierlijk ondeugdelijk is.
4.10.
De belangenafweging valt voorts in het voordeel van [eiser] uit. [eiser] heeft ter zitting voldoende toegelicht dat de beslagen zeer bezwaarlijk voor haar zijn omdat zij ernstig in haar bedrijfsvoering wordt gehinderd nu zij niet aan haar betalingsverplichtingen jegens de douane en derden kan voldoen. De belangen aan de kant van [gedaagde] wegen minder zwaar nu zij ter zitting heeft verklaard dat zij voor de korte termijn met de douane uitstel van betaling heeft afgesproken. Daarbij komt dat verder uitstel niet ondenkbaar lijkt.
4.11.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beslagen worden opgeheven. De voorzieningenrechter zal de beslagen zelf opheffen, zodat dwangsommen niet aan de orde zijn. De primaire vordering onder 1.1 wordt aldus toegewezen.
4.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.119,21
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
heft op de derdenbeslagen die op 20 en 28 oktober 2025 ten laste van [eiser] zijn gelegd op grond van het beslagverlof d.d. 7 oktober 2025 verleend door de voorzieningenrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.119,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.
[3894/106]