In deze kortgedingprocedure vordert eiser, een douane-expediteur, opheffing van conservatoir derdenbeslag dat door gedaagde, een importeur van groenten en fruit, is gelegd wegens een vermeende wanprestatie. Gedaagde stelt dat eiser onjuiste douaneaangiften heeft gedaan, waardoor een douaneschuld is ontstaan.
De rechtbank onderzoekt of eiser haar contractuele verplichtingen heeft geschonden en of het beslag gerechtvaardigd is. Uit de overeenkomst en de feitelijke samenwerking blijkt dat eiser enkel de door gedaagde verstrekte goederencodes moest toepassen en geen adviserende rol had. De zorgplicht van eiser is niet geschonden omdat zij geen aanleiding had om de juistheid van de instructies te betwijfelen.
Voorts is de vermeende schade onzeker en niet aannemelijk, mede omdat de betalingsverplichting nog betwist wordt en gedaagde rekening had moeten houden met de invoerrechten. De belangenafweging leidt tot opheffing van het beslag, omdat het beslag een ernstige belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van eiser, terwijl gedaagde voor de korte termijn uitstel van betaling heeft.
De rechtbank veroordeelt gedaagde in de proceskosten en wijst het meer of anders gevorderde af. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.