ECLI:NL:RBROT:2025:14404

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
C/10/698656 / JE RK 25-858
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking tot ondertoezichtstelling van een minderjarige in het kader van ouderschap en jeugdbescherming

Op 17 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in een zaak betreffende de ondertoezichtstelling van een minderjarige, hierna te noemen [voornaam minderjarige]. De kinderrechter heeft het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen, afgewezen. De ouders van [voornaam minderjarige] zijn uit elkaar en de minderjarige woont bij de vader. De Raad heeft verzocht om ondertoezichtstelling vanwege zorgen over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige], die klem zou zitten tussen beide ouders. Tijdens de zitting op 17 november 2025 waren zowel de vader als de moeder aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de zorgen over [voornaam minderjarige] sinds de vorige zitting zijn afgenomen. Er zijn geen suïcidale gedachten meer geuit en de schoolresultaten zijn verbeterd. De kinderrechter concludeert dat de ouders openstaan voor hulpverlening en dat de noodzakelijke hulp niet of onvoldoende door hen wordt geaccepteerd. De kinderrechter heeft daarom besloten dat de situatie niet voldoet aan de criteria voor ondertoezichtstelling en heeft het verzoek van de Raad afgewezen. De beslissing is openbaar uitgesproken en op schrift gesteld op 3 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/698656 / JE RK 25-858
Datum uitspraak: 17 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. V. Vos, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. C.H. Bijvank, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 16 juni 2025. Daarbij is de beslissing op het verzoek van de Raad aangehouden.
1.2.
Op 29 augustus 2025 is ontvangen het aanvullende rapport van de Raad (met bijlagen) van 28 augustus 2025.
1.3.
Op 17 november 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [persoon B] .
1.4.
Aangezien de vader en de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel respectievelijk de Engelse en de Thaise taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van K.M. Campman en P. Nuangtanom, tolken in respectievelijk de Engelse en Thaise taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolken zijn beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
De vader en de moeder zijn uit elkaar. [voornaam minderjarige] woont bij de vader.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De Raad heeft verzocht om [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft dit verzoek ter zitting en licht dit – samengevat – als volgt toe. De Raad maakt zich ernstig zorgen over [voornaam minderjarige] , omdat hij klem zit tussen beide ouders. Het lukt niet om onbelast contact te hebben met beide ouders. [voornaam minderjarige] heeft geen contact met de moeder. Gelet op het verleden is het belangrijk dat er hulpverlening gestart wordt voor [voornaam minderjarige] . De Raad denkt hierbij aan specialistische psychiatrie. Ook is hulp voor de ouders noodzakelijk om te leren met elkaar afspraken te maken in het belang van [voornaam minderjarige] . Door de wachtlijsten is er tot op heden nog weinig hulpverlening opgestart en is de situatie onveranderd gebleven ten opzichte van de vorige zitting. Er is begeleiding door de jeugdbescherming nodig om dit de komende tijd te monitoren.

4.De standpunten

4.1.
De GI steunt het verzoek van de Raad. De GI heeft ter zitting – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De afgelopen periode zijn weinig stappen gezet. De ouders moeten leren om met elkaar te communiceren. Verder is het belangrijk dat [voornaam minderjarige] hulp krijgt om de negatieve gebeurtenissen, van toen de ouders nog samenleefden, te verwerken. Het is zorgelijk dat [voornaam minderjarige] sinds begin 2025 geen contact heeft met zijn moeder. Het lijkt in het belang van [voornaam minderjarige] te zijn om begeleid contact te hebben met de moeder. Als [voornaam minderjarige] onder toezicht wordt gesteld, hoopt de GI zo snel mogelijk een vaste jeugdbeschermer te kunnen koppelen aan het gezin. Er is momenteel een wachtlijst.
4.2.
De moeder staat achter het verzoek van de Raad. Door en namens haar is ter zitting – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De afgelopen tijd is er weinig veranderd in de situatie. [voornaam minderjarige] stond op de wachtlijst voor behandeling bij Youz, maar Youz heeft aangegeven geen behandeling te starten en hem terugverwezen naar de psycholoog van het wijkteam. Er lijkt ruis te zijn ontstaan over wat er moet gebeuren. Betrokkenheid van een jeugdbeschermer is daarom nodig. Het is noodzakelijk dat hulpverlening wordt gestart. De zorgen zijn niet weggenomen. Momenteel is er onvoldoende zicht op [voornaam minderjarige] . Verder stoot [voornaam minderjarige] de moeder af. Hij wil geen contact met haar. De moeder hoop dat een ondertoezichtstelling daar verandering in kan brengen.
4.3.
De vader verzet zich tegen een ondertoezichtstelling. Door en namens hem is ter zitting – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De vader vraagt zich af wat de toegevoegde waarde is van een ondertoezichtstelling. Het gaat een stuk beter met [voornaam minderjarige] ten opzichte van de vorige zitting. Dat neemt niet weg dat er hulp nodig is. De vader heeft echter hulp gezocht. Er zijn gesprekken geweest bij Youz, maar zij zien geen aanleiding om [voornaam minderjarige] te behandelen. Youz heeft aangegeven dat behandeling door de psycholoog van het wijkteam voldoende is en dat dit ook beter is, omdat [voornaam minderjarige] dan wordt behandeld door een psycholoog met wie hij al vertrouwd is. [voornaam minderjarige] staat, op verzoek van de vader, zekerheidshalve nog wel op de wachtlijst bij Youz. De vader heeft geprobeerd om voor [voornaam minderjarige] een afspraak te maken bij de psycholoog van het wijkteam, maar daarvoor is toestemming van de moeder nodig en die heeft de psycholoog nog niet gekregen. De vader staat niet onwelwillend tegenover contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder. [voornaam minderjarige] wil dat op dit moment echter zelf niet.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van de jeugdbescherming als de minderjarige zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de ouders de zorg, die nodig is om deze ontwikkelingsbedreiging weg te nemen, niet of onvoldoende accepteren (artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter is, gelet op de stukken en de mondelinge behandeling, van oordeel dat niet wordt voldaan aan dit criterium. De kinderrechter legt hierna uit waarom niet.
5.2.
Op 16 juni 2025 heeft de kinderrechter het volgende overwogen: “De nu 11-jarige [voornaam minderjarige] is langdurig geconfronteerd met spanningen en ruzies tussen de ouders, waarbij niet alleen verbaal, maar ook fysiek geweld is gebruikt. Beide ouders stellen dat de andere ouder de agressor was. Inmiddels zijn de ouders uit elkaar en woont [voornaam minderjarige] samen met de vader in de woning waar het gezin eerst gezamenlijk woonde. De situatie thuis is nu rustig. Daarmee is de ontwikkelingsbedreiging van [voornaam minderjarige] echter nog niet weggenomen. [voornaam minderjarige] lijkt last te hebben van wat hij heeft meegemaakt en klem te zitten tussen zijn ouders. Sinds eind januari 2025 is er geen contact meer tussen [voornaam minderjarige] en de moeder. In een gesprek met de Raad voor de Kinderbescherming heeft [voornaam minderjarige] gezegd dat hij geen contact met de moeder wil. Tegenover een derde zou [voornaam minderjarige] hebben gezegd dat hij zich niet veilig voelt bij de moeder. Dat is zorgelijk. Verder waren er, ten tijde van het raadsonderzoek, ook op school zorgen over [voornaam minderjarige] . Gezien werd dat hij zijn boosheid onvoldoende kan reguleren. Ook uitte [voornaam minderjarige] suïcidale gedachtes.” De beslissing op het verzoek van de Raad om [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen is toen aangehouden, omdat niet kon worden beoordeeld of hulp in het gedwongen kader nodig is.
5.3.
De kinderrechter constateert allereerst dat de zorgen over [voornaam minderjarige] sinds de vorige zitting zijn afgenomen. Hij heeft geen suïcidale gedachtes meer geuit en volgens Youz is de problematiek niet zodanig dat behandeling bij Youz noodzakelijk is. Ook op school gaat het nu goed. Dit alles wil niet zeggen dat hulpverlening niet meer nodig is. Om de gebeurtenissen uit het verleden te kunnen verwerken, blijft behandeling van [voornaam minderjarige] door een psycholoog nodig. Ook de ouders hebben hulp nodig, om hun ouderschap na de scheiding samen vorm te kunnen geven. Verder is er hulp nodig om het contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder te kunnen herstellen. Ter zitting is (opnieuw) gebleken dat beide ouders openstaan voor hulpverlening. Het ontbreken van toestemming van de moeder voor behandeling van [voornaam minderjarige] door de psycholoog van het wijkteam blijkt te berusten op een misverstand. Voor hulp bij het vormgeven van hun gezamenlijk ouderschap staan de ouders op de wachtlijst bij Enver. Dat er sinds de vorige zitting op dit vlak geen vooruitgang is geboekt, is dus niet te wijten aan onwil van de ouders. Aan het vereiste dat de noodzakelijk geachte hulp niet of onvoldoende door de ouders wordt geaccepteerd, is dan ook niet voldaan. De kinderrechter ziet twee ouders die allebei het beste willen voor hun zoon en vertrouwt erop dat hulp in het vrijwillig kader volstaat. Dat de ouders – via het wijkteam – de weg naar vrijwillige hulpverlening weten te vinden, is al gebleken.
5.4.
De kinderrechter begrijpt dat de moeder niets liever wil dan dat het contact tussen [voornaam minderjarige] en haar wordt hersteld. Het ontbreken van contact tussen een minderjarige en zijn of haar ouder, vormt op zichzelf echter onvoldoende reden voor een ondertoezichtstelling. Hier zal in een ander kader, zoals in de lopende echtscheidingsprocedure, het ouderschapstraject bij Enver, en de behandeling van [voornaam minderjarige] bij de psycholoog, aandacht voor moeten zijn.
5.5.
Gelet op het voorgaande, wijst de kinderrechter het verzoek van de Raad af.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025 door
mr. drs. H. Biemond, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 3 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.