ECLI:NL:RBROT:2025:14407

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
C/10/707795 / JE RK 25-2044
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van minderjarigen in het kader van jeugdbescherming

In deze beschikking van de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 17 november 2025, wordt een verzoek behandeld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2]. De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig bedreigd wordt en dat de zorgen over hun opvoedsituatie nog niet voldoende zijn afgenomen. De ouders zijn gescheiden en de kinderen hebben verschillende woonadressen. De vader stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling, terwijl de moeder zich verzet tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2]. De kinderrechter concludeert dat de ondertoezichtstelling voor een jaar moet worden verlengd en dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] bij de vader ook moet worden verlengd, maar voor een kortere periode van zes maanden. Dit is noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. De kinderrechter benadrukt het belang van de betrokkenheid van de GI en de hulpverlening voor de ouders en de kinderen, en stelt dat er in de toekomst opnieuw gekeken moet worden naar de situatie van de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/707795 / JE RK 25-2044
Datum uitspraak: 17 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam man],
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de vader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De verzoekschriften van de GI (met bijlagen) van 22 september 2025 zijn binnengekomen bij de rechtbank op 3 oktober 2025.
1.2.
Op 20 oktober 2025 is ontvangen het door de GI nagezonden advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 17 oktober 2025.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [persoon A] en [persoon B] .
1.4.
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan de oma van moederskant, [persoon C] .
1.5.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben hierover ieder afzonderlijk een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
De vader en de moeder zijn gescheiden. [voornaam minderjarige 1] woont bij de moeder en [voornaam minderjarige 2] woont (middels een machtiging tot uithuisplaatsing) bij de vader.
2.3.
Op 24 november 2020 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] door de kinderrechter in deze rechtbank onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en loopt nu tot 24 november 2025.
2.4.
Op 8 juli 2025 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] bij de ouder met gezag, te weten de vader. Deze machtiging geldt tot 24 november 2025.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast verzoekt de GI verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] bij de vader voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft de verzoeken ter zitting en licht dit – samengevat – als volgt toe. Inmiddels is Needed People betrokken bij de kinderen en de ouders. De kinderen worden individueel ondersteund en de ouders krijgen opvoedondersteuning. De eerste evaluatie staat gepland op 28 november 2025. Doordat de hulpverlening pas recent van start kon gaan, is verlenging van de ondertoezichtstelling nodig. Het is belangrijk dat er in de komende periode een opvoedbesluit voor [voornaam minderjarige 2] wordt genomen, zodat hij duidelijkheid krijgt. Het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD) heeft onderzoek gedaan en een uitgebreid rapport geschreven. Vanwege de uitkomst van het onderzoek is de omgang tussen [voornaam minderjarige 2] en de moeder nog niet formeel uitgebreid. In de praktijk ziet [voornaam minderjarige 2] de moeder echter vaker. De ouders wonen vlakbij elkaar en [voornaam minderjarige 2] gaat zelfstandig naar de moeder toe. Doordat er dan sprake is van onbegeleid contact, ziet de GI geen aanleiding om de contacten begeleid te laten plaatsvinden, zoals het KSCD heeft geadviseerd.

4.De standpunten

4.1.
De vader stemt in met verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen en verzet zich niet tegen verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] . Hij heeft ter zitting – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De vader wil het beste voor de kinderen en is ongelofelijk trots op hoe zij het doen. Thuis gaat het nu de goede kant op, maar de vader moet wel aan zichzelf blijven werken. De vader en [voornaam minderjarige 2] hebben baat bij de hulpverlening van Needed People. De samenwerking met de moeder verloopt ook goed. De vader vindt het prima als [voornaam minderjarige 2] de moeder vaker ziet. De vader maakt zich wel enigszins zorgen over de veiligheid bij de moeder thuis wanneer de partner van de moeder thuis is. Belangrijk is dat hij aan zijn emotieregulatie blijft werken.
4.2.
De moeder stemt in met verlenging van de ondertoezichtstelling. Wel verzet zij zich tegen verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] bij de vader. Primair wordt verzocht om het verzoek tot verlenging daarvan af te wijzen. Subsidiair wordt verzocht de machtiging te verlengen voor een kortere duur, te weten zes maanden, en de beslissing op het resterende deel van het verzoek aan te houden. Door en namens de moeder is ter zitting – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Het KSCD rapport is een momentopname. In de periode waarin het onderzoek werd uitgevoerd, ging het niet goed met de moeder. Het gaat nu veel beter. Needed People ziet dan ook het tegenovergestelde van wat het KSCD zag. De moeder krijgt ook al twintig jaar hulp en ook voor de partner van de moeder is inmiddels hulpverlening opgestart. Er is geen sprake van onveiligheid bij de moeder thuis. Bovendien is de hulpverlening de eerste die de moeder op de vingers tikt als er dingen niet goed gaan.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De ontwikkeling van de bijna 16-jarige [voornaam minderjarige 1] en 11-jarige [voornaam minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De zorgen over hun opvoedsituatie en de opvoedvaardigheden van de ouders zijn nog niet voldoende afgenomen. Voortduring van de ondertoezichtstelling is daarom nodig. Het is positief dat Needed People inmiddels betrokken is bij allebei de ouders, [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . De ouders hebben baat bij de opvoedondersteuning die zij, ieder voor zich, van Needed People krijgen. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] ervaren de individuele ondersteuning die zij beiden krijgen als fijn en willen graag dat de huidige hulpverleners bij hen betrokken blijven, zo hebben zij de kinderrechter verteld. In de afgelopen periode zijn dus stappen vooruit gezet en dat is een compliment aan de ouders, [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] waard. De kinderrechter vertrouwt erop dat zij deze stijgende lijn kunnen vasthouden.
5.2.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] met de verzochte duur van één jaar. Van groot belang is dat in de komende periode niet alleen het verloop van de hulpverlening door de GI wordt gevolgd, maar dat ook wordt gezocht naar een passende school of dagbesteding voor [voornaam minderjarige 1] . Zij gaat inmiddels al een aantal jaren niet meer naar school en heeft ook al een tijd geen dagbesteding meer. Van de GI wordt verwacht dat hier actief mee aan de slag wordt gegaan.
5.3.
De kinderrechter verlengt ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] bij de vader. Dat is noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.4.
[voornaam minderjarige 2] is in juli 2022 uit huis geplaatst vanwege zorgen over de opvoedsituatie bij, en de opvoedvaardigheden van, de moeder, bij wie [voornaam minderjarige 2] zijn hoofdverblijf had. Hij heeft in verschillende pleeggezinnen verbleven. In de kerstvakantie van 2024 is hij bij de vader geplaatst. In juni 2023 heeft de GI het KSCD gevraagd onderzoek te doen naar – onder meer – de mogelijkheid tot terugplaatsing van [voornaam minderjarige 2] bij de moeder. Dit onderzoek is in maart 2025 afgerond. Hieruit is naar voren gekomen dat de moeder (door haar eigen problematiek) onvoldoende in staat is om een veilige en stabiele opvoedingsomgeving te bieden aan [voornaam minderjarige 2] . Volgens het KSCD zijn de opvoedcapaciteiten van de moeder en de ontwikkelingsbehoeften van [voornaam minderjarige 2] onvoldoende in balans en zal de inzet van hulp die balans niet voldoende kunnen herstellen. Terugplaatsing van [voornaam minderjarige 2] bij de moeder riskeert, volgens het KSCD, een herhaling van onveilige dynamieken en schadelijke patronen, wat de ontwikkeling en het welzijn van [voornaam minderjarige 2] ernstig kan schaden. Dat de opvoedingsomgeving bij de moeder inmiddels toch goed genoeg is om [voornaam minderjarige 2] daar (grotendeels) te kunnen laten opgroeien, is de kinderrechter onvoldoende gebleken. Wel gebleken is dat de moeder hard met zichzelf aan de slag is gegaan. Ook is Needed People nu betrokken. Verder is gebleken dat [voornaam minderjarige 2] in de praktijk regelmatig bij de moeder is. Zowel [voornaam minderjarige 2] als de ouders willen graag dat hij in de toekomst een (aanzienlijk) groter deel van de tijd bij de moeder verblijft dan nu het geval is. De kinderrechter ziet in dit alles aanleiding om de machtiging met een kortere periode te verlengen dan verzocht en de situatie over een half jaar opnieuw te beoordelen.
5.5.
Van belang is dat in de tussentijd, op korte termijn, (nieuwe) afspraken worden gemaakt over het verblijf van [voornaam minderjarige 2] bij de moeder. De huidige afspraak is dat [voornaam minderjarige 2] om het weekend van zaterdag tot zondag bij de moeder verblijft. Deze afspraak komt echter niet overeen met de praktijk, waarin [voornaam minderjarige 2] regelmatig bij de moeder langsgaat. De GI is daarvan op de hoogte, maar de afspraak is ongewijzigd gebleven. Dit zorgt voor onduidelijkheid bij de ouders en [voornaam minderjarige 2] . Verder zal, in de komende tijd, bekeken moeten worden in hoeverre (verdere) uitbreiding mogelijk is.
5.6.
De kinderrechter verlengt de machtiging met zes maanden en houdt de beslissing op het resterende deel van het verzoek aan tot de hierna te noemen pro forma datum. De kinderrechter verzoekt de GI haar vóór de pro forma datum te berichten over de stand van zaken op dat moment en daarbij aan te geven of het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd of niet.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 24 november 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, tot 24 mei 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en, alvorens verder te beslissen:
6.4.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI voor het overige aan tot
1 april 2026 pro forma;
6.5.
bepaalt dat de GI, de vader, de moeder en mr. R.W. de Gruijl op de genoemde pro forma datum niet ter zitting hoeven te verschijnen en dat zij tegen een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 24 mei 2026, moeten worden opgeroepen;
6.6.
verzoekt de GI
vóór 1 april 2026de kinderrechter de verzochte rapportage te doen toekomen, met afschrift daarvan aan de vader, de moeder en mr. R.W. de Gruijl.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025 door
mr. drs. H. Biemond, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 3 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikelen 1:255 en 1:260 Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikelen 1:265b en 1:265c BW