ECLI:NL:RBROT:2025:14484

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/10/708001 / JE RK 25-2075
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam op 16 oktober 2025 een beschikking gegeven over de voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [voornaam minderjarige]. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om deze maatregelen vanwege zorgen over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige], die acuut en ernstig wordt bedreigd. De moeder heeft het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] en er zijn zorgen over haar gedrag, waaronder wegloopgedrag en de invloed van negatieve vrienden.

Tijdens de zitting, die op 16 oktober 2025 plaatsvond, waren de moeder, haar advocaat, en vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling (GI) aanwezig. De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] gehoord en vastgesteld dat er een ernstig vermoeden bestaat dat haar ontwikkeling bedreigd wordt. De kinderrechter heeft eerder al een voorlopige ondertoezichtstelling opgelegd tot 8 januari 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 5 november 2025.

De Raad heeft het verzoek gewijzigd naar een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing, zodat [voornaam minderjarige] vanuit de crisisopvang kan worden geplaatst in een geschikte woonplek binnen het netwerk. De kinderrechter heeft geoordeeld dat de huidige crisisplaatsing niet in het belang van [voornaam minderjarige] is en dat er ondersteuning vanuit de jeugdbescherming nodig is. De kinderrechter heeft de voorlopige ondertoezichtstelling in stand gehouden en de trajectmachtiging tot uithuisplaatsing verleend, met de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708001 / JE RK 25-2075
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. G.E. van der Pols, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van 8 oktober 2025 van deze rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon B] en [persoon C] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [voornaam minderjarige] was aanwezig bij de uitspraak.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft bij de crisisopvang van Enver.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 oktober 2025 [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 8 januari 2026. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging verleend [voornaam minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 november 2025.

3.Het gewijzigde verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Bij beschikking van 8 oktober 2025 heeft de kinderrechter reeds beslist op het verzoek. Thans dienen de partijen hierop nog gehoord te worden. Daarnaast dient nog te worden beslist op het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing, te weten tot 8 januari 2026.
3.3.
De Raad wijzigt ter zitting het verzoek in die zin dat wordt verzocht om een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] . De Raad geeft aan dat vanuit de huidige plaatsing bij de crisisopvang gekeken moet worden naar een geschikte plaatsing van [voornaam minderjarige] in het netwerk. De Raad verzoekt daarom een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpbieder, met aansluitend een plaatsing in het netwerk, voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling te verlenen.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het gewijzigde verzoek en licht deze als volgt toe. Het wegloopgedrag van [voornaam minderjarige] is zeer zorgelijk en zij heeft aandacht nodig om weer structuur in haar leven te krijgen. De plaatsing op de crisisopvang verloopt niet goed en het is belangrijk dat [voornaam minderjarige] zo spoedig mogelijk in het netwerk wordt geplaatst. De Raad wijzigt het verzoek naar een trajectmachtiging, zodat er vanuit de huidige plaatsing bij de crisisopvang zo snel mogelijk een plaatsing in het netwerk kan worden gerealiseerd.
4.2.
De GI schaart zich achter het gewijzigde verzoek van de Raad. Het verblijf van [voornaam minderjarige] op de crisisopvang verloopt niet goed. [voornaam minderjarige] communiceert slecht met de begeleiding van de opvang en houdt zich niet aan de afspraken. De zus van [voornaam minderjarige] is bereid om in gesprek te gaan met de GI en [voornaam minderjarige] eventueel tijdelijk op te vangen. [voornaam minderjarige] logeert vaker bij haar zus en heeft recent aangegeven dat ze langer bij de zus wil verblijven. Wel is het dan belangrijk dat [voornaam minderjarige] niet meer wegloopt. Er zal gekeken moeten worden of de woonplek van de zus van [voornaam minderjarige] geschikt is. Aangezien [voornaam minderjarige] maximaal achtentwintig dagen op de crisisopvang kan verblijven, wordt er ook naar een plek elders gekeken. De woonplek van de nicht van de moeder is ook eventueel een optie. Door de eerdere miscommunicatie is de moeder teleurgesteld geraakt in de GI, waardoor de samenwerking niet soepel verloopt. De GI hoopt dat de samenwerking met de moeder de komende periode zal verbeteren en [voornaam minderjarige] zo snel mogelijk weer bij de moeder kan gaan wonen.
4.3.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het gewijzigde verzoek van de Raad. De moeder heeft grote zorgen over het gedrag van [voornaam minderjarige] . De moeder geeft aan dat [voornaam minderjarige] regelmatig is weggelopen van huis en vrienden opzoekt die haar negatief beïnvloeden. De moeder heeft [voornaam minderjarige] een telefoon gegeven, zodat zij haar kan bereiken. [voornaam minderjarige] laat echter niks van haar horen en komt pas laat in de avonden weer thuis. Het gedrag van [voornaam minderjarige] veroorzaakt veel frustratie en onrust bij de moeder en het leidt ertoe dat de moeder klappen uitdeelt aan [voornaam minderjarige] . Wanneer [voornaam minderjarige] opnieuw voor een lange tijd weg was van huis, heeft de moeder contact opgenomen met de wijkagent. [voornaam minderjarige] is uiteindelijk bij de crisisopvang terecht gekomen. Er is vervolgens vanuit het CIT (Crisis Interventie Team) vastgesteld dat het netwerk van [voornaam minderjarige] niet bereid was om over de situatie te communiceren en [voornaam minderjarige] op te vangen. Later is echter duidelijk geworden dat er geen contact is opgenomen met het netwerk van [voornaam minderjarige] en er sprake is geweest van een systeemfout van de GI. Het vertrouwen van de moeder is hierdoor geschaad. De crisisopvang is niet geschikt voor [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] loopt in de avonden regelmatig weg en het is onduidelijk waar zij dan uithangt. Tevens bestaan er zorgen over het vriendje van [voornaam minderjarige] . Het is belangrijk dat [voornaam minderjarige] eerst in het netwerk wordt geplaatst en daarna zo snel mogelijk weer bij de moeder gaat wonen. Zowel de zus van [voornaam minderjarige] als de nicht van de moeder van [voornaam minderjarige] zijn eventueel beschikbaar om haar tijdelijk op te vangen. Om te bekijken welke woonplek geschikt is voor [voornaam minderjarige] , is het belangrijk dat de GI in contact komt met de familie en er tussen hen een samenwerking tot stand komt. Het is noodzakelijk dat er een trajectmachtiging komt, zodat [voornaam minderjarige] vanuit de crisisopvang bij het netwerk wordt geplaatst. Vervolgens kan er gewerkt worden aan contactherstel tussen [voornaam minderjarige] en haar moeder, waarbij ook het fysieke geweld vanuit de moeder moet worden aangepakt.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[voornaam minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. De afgelopen periode heeft de moeder onvoldoende invulling kunnen geven aan het gezag. [voornaam minderjarige] loopt regelmatig weg van huis, waarbij zij geen contact behoudt met de moeder en het onduidelijk is waar zij verblijft. Het wegloopgedrag van [voornaam minderjarige] veroorzaakt veel frustratie bij de moeder en zorgt voor onrust in de thuissituatie. Het leidt ertoe dat de moeder haar zelfbeheersing verliest en fysiek geweld gebruikt tegen [voornaam minderjarige] . Gelet op deze ernstige zorgen is het van belang dat er ondersteuning vanuit de jeugdbescherming wordt ingezet. Het is noodzakelijk dat de moeder ondersteund wordt in haar ouderrol en begeleiding krijgt in de uitvoering van haar gezag. Er zal hiervoor passende hulpverlening ingezet moeten worden.
5.3.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [voornaam minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [2] De kinderrechter is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] moet worden gecontinueerd. Het wegloopgedrag van [voornaam minderjarige] is zeer zorgelijk en er dient te worden onderzocht waar dit gedrag vandaag komt. Ter zitting is het verzoek gewijzigd naar een trajectmachtiging, waarbij [voornaam minderjarige] , zolang dat nodig is, bij de huidige crisisopvang blijft en vervolgens in het netwerk wordt geplaatst. Er zal gekeken moeten worden naar welke woonplek in het netwerk het beste aansluit bij de behoefte van [voornaam minderjarige] . Alle partijen staan achter het gewijzigde verzoek en zijn het erover eens dat de huidige crisisplaatsing niet in het belang van [voornaam minderjarige] is. Het is belangrijk dat de trajectmachtiging wordt ingezet, zodat [voornaam minderjarige] zo snel mogelijk in het netwerk wordt geplaatst. Vervolgens moet er worden gekeken wat er qua hulpverlening noodzakelijk is om [voornaam minderjarige] in veiligheid bij de moeder te laten wonen.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
houdt de voorlopige ondertoezichtstelling in stand;
6.2.
verleent een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] , zolang dat noodzakelijk wordt geacht voor een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met aansluitend een plaatsing in het netwerk, met ingang van 16 oktober 2025 tot 8 januari 2026;
6.3.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 door mr. H. Mol, kinderrechter, in aanwezigheid van R.J.S. Mulder als griffier, en op schrift gesteld op 31 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).