In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam op 16 oktober 2025 een beschikking gegeven over de voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [voornaam minderjarige]. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om deze maatregelen vanwege zorgen over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige], die acuut en ernstig wordt bedreigd. De moeder heeft het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] en er zijn zorgen over haar gedrag, waaronder wegloopgedrag en de invloed van negatieve vrienden.
Tijdens de zitting, die op 16 oktober 2025 plaatsvond, waren de moeder, haar advocaat, en vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling (GI) aanwezig. De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] gehoord en vastgesteld dat er een ernstig vermoeden bestaat dat haar ontwikkeling bedreigd wordt. De kinderrechter heeft eerder al een voorlopige ondertoezichtstelling opgelegd tot 8 januari 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 5 november 2025.
De Raad heeft het verzoek gewijzigd naar een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing, zodat [voornaam minderjarige] vanuit de crisisopvang kan worden geplaatst in een geschikte woonplek binnen het netwerk. De kinderrechter heeft geoordeeld dat de huidige crisisplaatsing niet in het belang van [voornaam minderjarige] is en dat er ondersteuning vanuit de jeugdbescherming nodig is. De kinderrechter heeft de voorlopige ondertoezichtstelling in stand gehouden en de trajectmachtiging tot uithuisplaatsing verleend, met de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.