Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw L. van Dam, werkzaam bij Geldplein (hierna te noemen schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser, ABN AMRO, te bevelen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling voorziet in een betaling van circa 13% aan preferente en concurrente schuldeisers, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoeker, die parttime werkt met een contract voor onbepaalde tijd.
ABN AMRO weigert in te stemmen en stelt dat het voorstel onvoldoende onderbouwd is. Zij vraagt onder meer naar de reden van het parttime dienstverband en mogelijke belemmeringen om meer uren te werken, alsmede naar eventuele bezittingen die in de regeling kunnen worden ingebracht. ABN AMRO is niet verschenen bij de zitting.
De rechtbank overweegt dat het belang van ABN AMRO bij volledige betaling groot is, gezien haar aandeel van 17,8% in de schuldenlast. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij het uiterste heeft gedaan, bijvoorbeeld door het ontbreken van sollicitatie-inspanningen voor meer werkuren. De rechtbank acht de belangen van ABN AMRO zwaarder dan die van verzoeker en wijst het verzoek af.
De beslissing tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt in een afzonderlijke procedure genomen.
Uitkomst: Verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat het voorstel het uiterste is wat verzoeker kan bieden.