ECLI:NL:RBROT:2025:14556

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/10/693756 / JE RK 25-229, C/10/614965 / FA RK 21-2060 en C/l0/709307 / JE RK 25/2234
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en omgangsregeling voor minderjarige met betrokkenheid van ouders en gecertificeerde instelling

In deze beschikking van de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam, uitgesproken op 18 november 2025, wordt de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige] verlengd tot 28 februari 2026. De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld, gezien de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige]. De kinderrechter benadrukt dat de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling (GI) noodzakelijk blijft, omdat de samenwerking tussen de ouders en de GI moeizaam verloopt. De kinderrechter stelt vast dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] goed verloopt en dat er behoefte is aan een duidelijke omgangsregeling. De vader heeft verzocht om een omgangsregeling, waarbij hij en [minderjarige] elke eerste woensdag van de maand gedurende anderhalf uur met elkaar omgaan. De kinderrechter wijst dit verzoek toe en legt de regie over de omgangsregeling bij de GI. Daarnaast wordt bepaald dat de moeder, als gezaghebbende ouder, de vader eenmaal per maand per e-mail moet informeren over belangrijke zaken met betrekking tot [minderjarige]. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/693756 / JE RK 25-229, C/10/614965 / FA RK 21-2060 en C/l0/709307 / JE RK 25/2234
Datum uitspraak: 18 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling, de beslissing over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht en de informatieregeling
in de zaken met zaaknummers C/10/693756 / JE RK 25-229 en C/10/709307/ JE RK 25/2234 van:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
De kinderrechter merkt aan als belanghebbenden:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.G. van Tilburg-Keesmaat, kantoorhoudende in Sliedrecht,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. B.P.J. van Riel, kantoorhoudende in Breda.
De kinderrechter merkt aan als informant:
[naam stiefvader] ,
hierna te noemen: de stiefvader, wonende in [woonplaats] .
en in de zaak met zaaknummer C/10/614965 / FA RK 21-2060:
de vader,voornoemd,
tegen
de moeder, voornoemd,
waarin is betrokken in zijn adviserende rol:
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd in Rotterdam.
De zaken hebben betrekking op:
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Ten aanzien van C/10/693756:
  • de tussenbeschikking van 22 september 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het verweerschrift met producties van (de advocaat van) de moeder van 27 oktober 2025.
Ten aanzien van C/10/614965:
  • de tussenbeschikking van 22 september 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het aanvullende/gewijzigde verzoek van (de advocaat van) de vader van 10 oktober 2025;
  • het verweerschrift met producties van (de advocaat van) de moeder van 27 oktober 2025.
Ten aanzien van C/10/709307:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 29 oktober 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 30 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] ;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 3] ,
1.3.
De stiefvader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de stiefvader wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 22 september 2025 is in de zaak met zaaknummer C/10/693756 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 30 november 2025 en voor het overige verzochte aangehouden tot 4 november 2025. Bovendien is bij deze beschikking de behandeling van de zaak met zaaknummer C/10/614965 in zijn geheel aangehouden tot 4 november 2025.

3.De verzoeken

Ten aanzien van C/10/693756
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Eerder is bij beschikkingen van 21 februari 2025, 26 maart 2025 en 22 september 2025 al beslist over de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , waarbij deze steeds (deels) is verlengd. Bij de laatste beschikking is de ondertoezichtstelling verlengd tot 30 november 2025. Thans dient te worden beslist over de resterende drie maanden, te weten tot 28 februari 2026.
Ten aanzien van C/10/614965
De verzoeken van de vader
3.3.
De vader verzoekt een omgangsregeling vast te stellen, in die zin dat de vader en [minderjarige] een uur per week omgang met elkaar hebben.
3.4.
Bij aanvullend verzoek van 10 oktober 2025 heeft de vader zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat hij verzoekt te bepalen dat hij en [minderjarige] eenmaal per maand gedurende anderhalf uur (begeleide) omgang met elkaar hebben. Daarnaast vult de vader zijn verzoek aan met het verzoek te bepalen dat aan de moeder een informatieregeling wordt opgelegd, waarbij zij de vader eenmaal per maand informeert over relevante aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] , middels een verslag en een recente foto, althans een zodanige informatieregeling als de rechtbank in goede justitie juist acht.
De verzoeken van de moeder
3.5.
De moeder verzoekt bij zelfstandig verzoek een voorlopige omgangsregeling vast te stellen voor de duur van zes maanden (van november 2025 tot april 2026) tussen de vader en [minderjarige] , waarin vaste door de GI begeleide bezoeken plaatsvinden op iedere eerste woensdagmiddag van de maand van 14.00 -15.30 uur, althans een voorlopige regeling te bepalen als in goede justitie behoort. Voor afloop van deze zes maanden moet een evaluatie plaatsvinden, zodat de behandeling van dit verzoek voor de rest pro forma moet worden aangehouden tot 1 april 2026.
Ten aanzien van C/10/709307
3.6.
De GI verzoekt te bepalen dat de GI leidend is over de exacte invulling en de uitvoering van de omgangsregeling.

4.Het standpunt van de GI

Ten aanzien van C/10/693756 (ondertoezichtstelling)
4.1.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [minderjarige] is een vrolijk meisje en makkelijk in de omgang. Over het algemeen gaat het goed met haar, maar in de afgelopen periode is het niet gelukt om de ontwikkelingsbedreiging volledig weg te nemen. Wel zijn er stappen gezet: JeugdProfs start half november, de bezoeken tussen [minderjarige] en haar vader zijn gestart en [minderjarige] is aangemeld voor speltherapie. De vader doet het goed tijdens de bezoeken. [minderjarige] toont plezier en vrolijkheid en wil graag met de vader spelen. Op dit moment is er nog geen volledige duidelijkheid, omdat de omgang nog niet formeel is vastgelegd. Bovendien zijn JeugdProfs en de speltherapie nog niet gestart. Tot die tijd is het van belang dat de GI de regie behoudt.
Ten aanzien van C/10/709307 (omgangsregeling)
4.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De GI dient de regie te krijgen over de omgangsregeling, zodat praktische zaken, zoals het verschuiven van data of locaties, onder leiding van de GI kunnen plaatsvinden. Momenteel vinden de bezoeken plaats op de eerste woensdag van de maand. Het is wenselijk dat [minderjarige] steeds dezelfde begeleider heeft, waardoor het soms nodig kan zijn een bezoek te verplaatsen. De GI moet daarom de mogelijkheid hebben een bezoek naar een andere dag te verplaatsen.

5.Het standpunt van de vader

Ten aanzien van C/10/693756 (ondertoezichtstelling)
5.1.
Door en namens de vader wordt ingestemd met de ondertoezichtstelling. [minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Er is geen sprake van een omgangsondertoezichtstelling, omdat er ook zorgen zijn over [minderjarige] haar gezondheid, kwetsbaarheid en bedreigingen in haar ontwikkeling. Daarbij vormt het ontbreken van frequent contact eveneens een bedreiging voor haar ontwikkeling. Dit kan niet worden opgelost in het vrijwillige kader. Daarvoor is een dwingende regie van de GI nodig. Een kritische noot hierbij is dat de GI daadwerkelijk de regie moet voeren. Hopelijk wordt in de komende periode toegewerkt naar het einde van de ondertoezichtstelling. De vader heeft hulpverlening en doet zijn best.
Ten aanzien van C/10/614965 en C/10/709307 (omgangsregeling en informatieregeling)
5.2.
Door en namens de vader wordt het gewijzigde en aanvullende verzoek gehandhaafd. Wat betreft de verzoeken van de moeder: de vader schikt in de datum en plaats van de bezoeken, maar voert verweer tegen de door de moeder verzochte voorlopige omgangsregeling. Er is behoefte aan duidelijkheid, mede omdat in de aanloop naar de zitting spanning ontstaan doordat beide partijen zenuwachting zijn. Indien een van de partijen het later niet eens is met de regeling, blijft de weg naar de rechtbank open. De verdere regie met betrekking tot de omgangsregeling dient bij de GI te liggen. Wat betreft het vervoer dient de hulpverlening ondersteuning te bieden. Het is in ieder geval onverantwoord om [minderjarige] op de scooter te laten meerijden. Met betrekking tot de informatieregeling geldt dat de moeder op grond van de wet verplicht is de vader van informatie te voorzien, aangezien zij de gezaghebbende ouder is. Het feit dat de moeder aangeeft dat de vader vragen mag stellen, vormt een omkering van deze wettelijke verplichting. De informatie is van belang voor de vader, ook omdat hij hiermee aanknopingspunten heeft om tijdens de bezoekmomenten met [minderjarige] te kunnen praten.

6.Het standpunt van de moeder

Ten aanzien van C/10/693756 (ondertoezichtstelling)
6.1.
Door en namens de moeder wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wanneer een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, is dit niet omdat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging, maar om de hulpverlening en de omgang op de rit te krijgen. De GI geeft aan dat de hulpverlening is geregeld, terwijl dit in de praktijk telkens spaak loopt. Vorig jaar is speltherapie voor [minderjarige] geadviseerd, maar tot op heden is deze niet gestart en wordt de moeder van het kastje naar de muur gestuurd. Daarnaast zou Jeugdprofs medio november beginnen, maar de financiering via iHub is nog niet rond. Van de GI wordt verwacht dat actief de regie wordt genomen, zodat zowel de speltherapie als de ondersteuning door JeugdProfs zo spoedig mogelijk van start kunnen gaan. De moeder heeft momenteel weinig vertrouwen dat de zaken adequaat zullen worden opgepakt door de GI, maar spreekt de hoop uit dat dit in de toekomst zal verbeteren. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het welzijn van de moeder.
Ten aanzien van C/10/614965 en C/10/709307 (omgangsregeling en informatieregeling)
6.2.
Door en namens de moeder wordt het zelfstandige verzoek gehandhaafd. De moeder is voorstander van het vastleggen van de omgangsregeling omdat dit duidelijkheid zal scheppen. Deze regeling dient een voorlopige regeling te zijn voor de duur van zes maanden, waarna een evaluatie plaatsvindt om te beslissen of de regeling definitief wordt. De GI verzoekt dat de regie bij de GI komt te liggen, met name voor het verschuiven van data en locaties van de bezoeken. De moeder heeft hier zorgen over, omdat het van belang is dat de afgesproken data (de eerste woensdag van de maand) worden gehandhaafd in het belang van [minderjarige] . Deze vaste structuur biedt [minderjarige] houvast: zodra het luchtalarm op maandag afgaat, weet zij dat het bezoekmoment na twee nachtjes zal plaatsvinden. De duur, frequentie en locatie van de bezoeken dienen te worden vastgelegd, zodat er zo min mogelijk onduidelijkheid ontstaat. Het belang van [minderjarige] om op een vaste dag omgang te hebben, weegt zwaarder dan de mogelijkheid dat er dan af en toe een andere begeleider is. [minderjarige] is niet eenkennig en gaat makkelijk om met volwassenen. Daarnaast is het van belang dat een vaste regeling wordt getroffen over het vervoer, aangezien de moeder geen auto of scooter heeft en afhankelijk is van het openbaar vervoer. De moeder staat onder bewindvoering en beschikt over beperkte financiële middelen om de reiskosten te bekostigen. Het is van belang dat de vader tijdig aanwezig is bij de bezoeken en opvoedondersteuning ontvangt. Dit draagt bij aan het opbouwen van de band tussen vader en [minderjarige] , maar ook aan de samenwerking tussen de ouders onderling. Wat betreft de informatieregeling wordt verweer gevoerd; de vader kan altijd contact opnemen bij vragen, waarop de moeder zal reageren.

7.Het standpunt van de Raad

Ten aanzien van C/10/693756, C/10/614965 en C/10/709307
7.1.
De Raad stelt vast dat de betrokkenheid van de GI langer nodig is, waarmee de ouders het eens zijn. Daarnaast kan de Raad zich aansluiten bij het pleidooi van beide advocaten: er moet duidelijkheid komen. Over de inhoud van de omgangsregeling zijn de ouders het eens. Voor de duidelijkheid is het wenselijk dat deze regeling wordt vastgelegd en opgenomen in een beschikking, aangezien de ouders baat hebben bij een regeling op papier. Wat betreft de informatieregeling kan de Raad zich voorstellen dat dit voor de vader prettig is, terwijl het tegelijkertijd een belasting voor de moeder kan vormen. De Raad acht het in het belang dat er eenmaal per maand een e-mail met informatie wordt verzonden, ook om de aansluiting bij [minderjarige] te creëren en bij te dragen aan een goede band tussen beiden. De moeder kan hierbij ondersteund worden door de GI of andere hulpverlening.

8.De beoordeling

Ten aanzien van C/10/693756 (ondertoezichtstelling)
8.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
8.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat sinds de zitting van 26 maart 2025 sprake is van een positieve ontwikkeling. De omgang tussen de vader en [minderjarige] , die eerder onvoldoende van de grond kwam, loopt nu. Ouders verdienen daarvoor een compliment, want zij hebben dat voor een groot deel zelf geregeld.Tegelijkertijd wordt [minderjarige] nog altijd ernstig in haar ontwikkeling bedreigd., De positieve ontwikkeling is pril. Het moet ouders ook voor een langere tijd blijven lukken om het zo te doen. Ook zijn er nog wat zorgen over [minderjarige] haar thuissituatie. Naar aanleiding van eerdere begeleiding door ASH is er geadviseerd dat het gezin behoefte heeft aan opvoedondersteuning. Hiervoor is een aanmelding gedaan bij JeugdProfs, waarvan de hulpverlening naar verwachting half november zal starten. Hoewel het positief is dat de moeder hiervoor openstaat, kan de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. In het afgelopen halfjaar is gebleken dat de samenwerking tussen de moeder en de GI moeizaam verloopt en dat de moeder zich niet altijd aan de gemaakte afspraken houdt, ook ten aanzien van de omgangsregeling. De GI zal de komende periode de regie moeten (blijven) voeren en zich er voor inzetten dat de hulpverlening nu ook echt op gang komt.
8.3.
Gezien het voorgaande en gelet op dat alle betrokkenen het eens zijn met de ondertoezichtstelling, is de kinderrechter van oordeel dat de betrokkenheid van de jeugdbeschermer nog altijd nodig is. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
Ten aanzien van C/10/614965 en C/10/709307 (omgangsregeling en informatieregeling)
Omgangsregeling
8.4.
Op grond van artikel 1:377a eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft het kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind.
8.5.
[minderjarige] heeft elke eerste woensdag van de maand gedurende anderhalf uur een bezoekmoment met haar vader. De bezoekmomenten verlopen goed. [minderjarige] is blij om haar vader te zien en speelt graag met hem. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat deze afspraken vastgelegd moeten worden in een omgangsregeling.
8.6.
De moeder en de vader verschillen van mening over de vraag of een voorlopige of een definitieve regeling moet worden vastgesteld. Gelet op het belang van duidelijkheid voor [minderjarige] en ouders acht de kinderrechter het van belang dat een definitieve zorgregeling wordt vastgesteld. Ondanks de praktische hobbels rond vervoer en planning, is dit een regeling waar ouders achter staan en die voor iedereen haalbaar is. [minderjarige] vindt het ook fijn om haar vader te zien. Er is dan ook geen aanleiding om deze regeling over zes maanden te evalueren, nu dat betekent dat er een nieuwe zitting met bijbehorende spanningen moet worden gepland. Mocht de regeling in de toekomst toch aangepast moeten worden, staat de weg naar de rechtbank altijd open, mochten ouders er in onderling overleg niet uitkomen.
De kinderrechter stelt een omgangsregeling vast, inhoudende dat [minderjarige] elke eerste woensdag van de maand (begeleid) omgang heeft met de vader. De regie ten aanzien van de inzet van de begeleiders ligt gedurende de ondertoezichtstelling bij de GI. Voor zover de GI heeft verzocht om de regie ook ten aanzien van de duur en de frequentie bij haar te leggen wijst de kinderrechter dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, af.
Informatieregeling
8.7.
Op grond van artikel 1:377b BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen over daarover te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
8.8.
De rechtbank overweegt dat de moeder als gezaghebbende ouder, gehouden is de vader te informeren. De wens van de vader om eenmaal per maand per e-mail informatie te ontvangen, acht de rechtbank een redelijk verzoekl. De rechtbank acht dit ook bevorderlijk voor de omgangsmomenten met [minderjarige] omdat de vader hierdoor goed op de hoogte is van haar leven en beter bij haar kan aansluiten. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van de vader toe en bepaalt dat de moeder eenmaal per maand, de maandag voorafgaand aan het bezoekmoment, per e-mail informatie aan de vader verstrekt over [minderjarige] .
8.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

9.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van C/10/693756
9.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 28 februari 2026;
Ten aanzien van C/10/614965 en C/10/709307
9.2.
bepaalt dat [minderjarige] elke eerste woensdag van de maand gedurende anderhalf uur omgang heeft met de vader (onder begeleiding), waarbij de GI de regie voert over de inzet van de begeleiding;
9.3.
bepaalt dat de moeder elke eerste maansdag van de maand de vader moet informeren over de belangrijke aangelegenheden over [minderjarige] ;
9.4.
wijst het meer of anders verzochte af;
9.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 Burgerlijk Wetboek.