ECLI:NL:RBROT:2025:14570

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
C/10/697908 / JE RK 25-751
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • M.A. van der Laan – Kuijt
  • K.T.F. Chocolaad – de Bos
  • R. Wildenberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen met verwijzing naar meervoudige kamer

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijft in het belang van de verzorging en opvoeding, maar verlengt deze voor een kortere periode dan verzocht, namelijk tot 9 januari 2026. Dit sluit aan bij de machtiging voor het halfbroertje van de kinderen, zodat een gezamenlijke aanpak mogelijk wordt.

De kinderrechter constateert dat er onduidelijkheid bestaat over de inzet en resultaten van de hulpverlening door de gecertificeerde instelling, met name over de opvoedingsvaardigheden van de ouders en de hechtingsrelaties. Er is onvoldoende informatie om een definitieve beslissing te nemen.

Daarom wordt het verzoek voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer, waarbij een uitgebreid rapport met een concreet plan van aanpak wordt verlangd. De beschikking is direct uitvoerbaar en de betrokken partijen zijn opgeroepen voor de zitting op 16 december 2025.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 9 januari 2026 en verdere behandeling wordt verwezen naar de meervoudige kamer.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/697908 / JE RK 25-751
Datum uitspraak: 30 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des heils Jeugdbescherming & reclassering,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N.A.H. Limbourg, kantoorhoudende te Breda,
[naam pleegmoeder] en [naam pleegvader],
hierna te noemen: de pleegouders, wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam stiefvader],
hierna te noemen: de stiefvader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 30 april 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 15 september 2025, ontvangen op 18 september 2025;
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 24 oktober 2025 in zaaknummer C/10/705922 over het halfbroertje van de minderjarigen, ingediend op 30 oktober 2025 door de advocaat van de moeder.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door mr. M.C.F.Y. de Vleesschauwer (waarnemend voor mr. N.A.H. Limbourg);
  • de stiefvader (als informant);
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
De pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders wel juist zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 2 mei 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter in deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 2 november 2025. De beslissing is voor het overige aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Over de periode tot 2 november 2025 is reeds beslist. Nu moet nog worden beslist over de periode tot 2 mei 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit nader toe. De betrokkenheid van de GI is de afgelopen periode wisselend geweest en de GI heeft hierin steken laten vallen. Volgende week dinsdag staat er een groot overleg gepland, waarin het hulpverleningsplan voor de komende periode zal worden besproken. Eerder was een plaatsing bij GGZ Beilen aan de orde, maar dit is niet van de grond gekomen. Onlangs is [naam 3] , het jongste kind van de moeder en de stiefvader, uit huis geplaatst, wat een nieuwe kans biedt tot samenwerking met GGZ Beilen. Er zijn daarom voorwaarden gesteld waarmee zowel de moeder als de stiefvader aan de slag moeten. Indien de situatie voldoende verbetert kan er opnieuw een samenwerkingsopname bij GGZ Beilen worden gestart. Het is belangrijk dat het komende halfjaar wordt gewerkt aan de doelen door zowel de moeder als de stiefvader, evenals aan de samenwerking met de GI. In reactie op de moeder brengt de GI naar voren dat zij het verzoek voor aanhouding van de zaak en gelijktrekking met de zaak van [naam 3] begrijpt.
4.2.
Door en namens de moeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder heeft het moeilijk gehad met de uithuisplaatsing van [naam 3] . De afgelopen periode heeft de moeder hard aan zichzelf gewerkt door middel van EMDR therapie. Daarnaast heeft de moeder het huis grondig opgeruimd en let zij beter op de hygiëne. Moeder heeft haar zaken nu (veel) beter op orde dan ten tijde van de uithuisplaatsing en ten tijde van de intake bij GGZ Beilen. Doordat er veel wisselingen zijn geweest in de betrokkenheid van jeugdbeschermers heeft de moeder geen goede band kunnen opbouwen en weinig vertrouwen in de GI. Inmiddels zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al anderhalf jaar uithuisgeplaatst en is er geen hulpverlening van de grond gekomen. Namens de moeder wordt verzocht om de beslissing over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gelijk te trekken met de beslissing in de zaak van [naam 3] , inhoudende dat het verzoek nu niet of deels wordt toegewezen en voor het overige zal worden behandeld op de meervoudige kamer zitting van 16 december 2025. Op die manier kan er een gezamenlijk plan komen voor alle drie de kinderen, want [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vormen samen met [naam 3] , de moeder en de stiefvader één gezin. Er zijn in de afgelopen maanden veel zittingen geweest, waarbij de rode draad steeds is dat de GI aan de slag moet en dat er duidelijkheid moet komen voor alle betrokkenen. De moeder en de stiefvader verdienen een eerlijke kans om te laten zien dat zij de opvoeding en verzorging van de kinderen op zich kunnen nemen. Zij staan open voor alle vormen van hulpverlening en willen daar graag mee starten. Het valt te betreuren dat er tot op heden geen hulpverlening van de grond is gekomen.

5.De mening van de informant

5.1.
De stiefvader voert ter zitting aan dat er nooit goed is gekeken naar de opvoedvaardigheden van hem en van de moeder. Hij is bereid om alles te doen om samen te werken met de hulpverlening.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode dan is verzocht, te weten tot 9 januari 2026. Daarmee loopt de machtiging uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gelijk met de machtiging uithuisplaatsing voor hun halfbroertje [naam 3] .
6.2.
De kinderrechter betreurt het dat onduidelijk is en blijft wat de GI tot op heden in de zaak van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft gedaan. Een eerdere intake bij GGZ Beilen heeft (nog) niet geleid tot een gezinsopname, maar voor het overige is niet duidelijk geworden wat er rond [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is gebeurd. Zowel de GI als de moeder citeren ter zitting uit (van de GI afkomstige) stukken die niet aan de kinderrechter bekend zijn; de GI om aan te tonen dat de zorgen groot zijn en alleen door een gezinsopname kunnen worden weggenomen, de moeder om te laten zien dat met name [minderjarige 1] ook volgens de GI lijdt onder de uithuisplaatsing. De GI heeft in een briefrapportage ten behoeve van deze zitting volstaan met de conclusie dat het prima gaat met de kinderen bij het pleeggezin. Dit pleeggezin is echter niet perspectief biedend, terwijl de kinderen er inmiddels al anderhalf jaar verblijven. Er bestaan veel onduidelijkheden over de betrokkenheid van de GI en de invulling van de hulpverlening in de afgelopen maanden. Meer in het bijzonder is niet duidelijk geworden of en in hoeverre de opvoedingsvaardigheden van de moeder en de stiefvader zijn onderzocht en of er is gekeken naar de hechtingsrelatie met de kinderen. De GI lijkt alleen in te zetten op een gezinsopname bij GGZ Beilen, wat de komende periode niet mogelijk zal zijn. Andere mogelijkheden om het gezin te begeleiden lijken niet aan de orde te zijn gekomen.
6.3.
De kinderrechter is daarom van oordeel dat zij op dit moment over onvoldoende informatie beschikt om een gedegen beslissing te kunnen nemen over de gevraagde verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het is belangrijk dat er op korte termijn meer zicht komt op het hele gezin met alle drie de kinderen, op de opvoedingsvaardigheden van de (stief)ouders, op hun hechtingsrelatie met de kinderen en op welke hulpverlening binnen aanvaardbare termijn kan worden ingezet. Alle betrokkenen hebben behoefte aan duidelijkheid over het perspectief.
6.4.
Aangezien er op dit moment nog veel onduidelijkheid bestaat, ziet de kinderrechter reden om het verzoek van de GI voor behandeling en beslissing te verwijzen naar de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op de hierna te noemen zittingsdatum. Dit betekent dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal verlenen voor een kortere periode dan is verzocht, te weten tot 9 januari 2026. De GI wordt verzocht om aan de meervoudige kamer (met afschrift aan de moeder, mr. Limbourg en de pleegouders) voorafgaand aan de hierna te noemen zittingsdatum te rapporteren over de stand van zaken, met een concreet plan van aanpak voor zowel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als voor [naam 3] , en daarbij aan te geven of het overige deel van de verzoeken al dan niet wordt gehandhaafd.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 9 januari 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
en alvorens verder te beslissen:
7.3.
verwijst het verzoek voor verdere behandeling en beslissing naar de meervoudige kamer;
7.4.
bepaalt dat het verhoor van de GI, de moeder, mr. Limbourg en de pleegouders in deze zaak zal plaatsvinden ter zitting van de
meervoudigekamer van de rechtbank Rotterdam,
locatie Rotterdam, op
16 december 2025 om 14:30 uurin het gerechtsgebouw aan
Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam;
7.5.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. M.A. van der Laan – Kuijt, mr. K.T.F. Chocolaad – de Bos en mr. R. Wildenberg, kinderrechters;
7.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de moeder, mr. Limbourg en de pleegouders;
verzoekt de GI de rechtbank tenminste een week voor 16 december 2025 (met afschrift daarvan aan de belanghebbenden, de stiefvader en mr. Limbourg) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025 door mr. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 2 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.