ECLI:NL:RBROT:2025:14574

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
10-117011-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van mishandelingen na geslaagd beroep op noodweer in Rotterdam

In deze zaak heeft de politierechter in Rotterdam op 30 oktober 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van twee mishandelingen. De verdachte, geboren in 2000 en vertegenwoordigd door raadsman mr. J.C. Spigt, heeft zich beroepen op noodweer. De officier van justitie, mr. P.W.E. Fokkenrood - Wijsman, eiste een taakstraf, maar de rechter oordeelde dat de verdachte niet wettig en overtuigend schuldig was aan de tenlastegelegde feiten. Tijdens de zitting op 16 oktober 2025 werd vastgesteld dat er een conflict was tussen de verdachte en de aangevers, waarbij beide partijen verschillende verklaringen gaven over de gebeurtenissen. De politierechter concludeerde dat er onvoldoende bewijs was om te stellen dat de verdachte als eerste had aangevallen. De verklaringen van de getuigen waren tegenstrijdig en er was geen overtuigend bewijs dat de verdachte de mishandelingen had gepleegd. De rechter oordeelde dat de verdachte zich had verdedigd tegen een aanval en dat haar beroep op noodweer gerechtvaardigd was. Hierdoor werd de verdachte vrijgesproken van de beschuldigingen. De vorderingen van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen straf of maatregel aan de verdachte was opgelegd. De rechtbank besloot dat beide partijen hun eigen kosten moesten dragen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team strafrecht
Parketnummer: 10-117011-25
Datum uitspraak: 30 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] [postcode] [plaatsnaam],
raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Capelle aan den IJssel.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 oktober 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P.W.E. Fokkenrood - Wijsman heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een contactverbod met de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], alsmede een locatieverbod met betrekking tot de woning van [benadeelde partij 2].

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat feit 1 en feit 2 bewezen verklaard dienen te worden, omdat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Voor feit 1 is er een aangifte van [slachtoffer 1], de verklaring van [slachtoffer 2] en de verklaring van [getuige]. Voor feit 2 is er een aangifte van [slachtoffer 2], de verklaring van [slachtoffer 1] en een verklaring van [getuige]. Verdachte bekent [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te hebben geslagen. Ten aanzien van feit 1 acht zij het onvoldoende aannemelijk dat er sprake was van een noodweersituatie en indien die situatie er wel was, wordt er volgens haar niet voldaan aan de eis van subsidiariteit. Ter zake van feit 2 stelt zij zich op het standpunt dat de handelingen van de verdachte niet kunnen worden gezien als gerechtvaardigde zelfverdediging, aangezien er niet wordt voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
4.1.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft ontslag van alle rechtsvervolging bepleit voor feit 1 en feit 2, omdat er sprake was van noodweer(exces) aan de zijde van verdachte. Vast staat is dat er is gevochten, maar niet dat cliënt is begonnen. De verschillende verklaringen staan haaks op elkaar. De verdachte dient te worden gevolgd in haar verklaring dat zij is aangevallen en zich daartegen heeft verdedigd.
4.1.3.
Beoordeling
In deze zaak ziet de politierechter zich gesteld voor de vraag of hij kan komen tot een bewezenverklaring. Daarvoor dient hij te komen tot het oordeel dat óf 1) hij er op basis van de beschikbare bewijsmiddelen ook van overtuigd is dat de verdachte als eerste de twee aangevers heeft aangevallen en heeft mishandeld op de wijze zoals tenlastegelegd óf 2) hij bewezen acht dat de verdachte zowel bij [aangever] (feit 1) als bij [slachtoffer 2] (feit 2) weliswaar gereageerd heeft op een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding van de respectievelijke aangevers, maar dat een beroep op noodweer(exces) faalt.
Het procesdossier bevat slechts een beperkt aantal bewijsmiddelen, te weten vier verklaringen van de twee aangevers, de verdachte en [getuige], de partner van de verdachte, tevens ex-partner van één van de aangevers. Verder zijn er heel beperkt redengevende bevindingen van politieagenten en letselbeschrijvingen in verschillende vormen. Er is ook een geluidsopname. Beide aangevers wijzen de verdachte aan als degene die met het geweld is begonnen. De verdachte en [getuige] hebben verklaard dat de verdachte werd aangevallen. Anders dan de officier van justitie, is de politierechter van oordeel dat om aan de verklaring van [getuige] redengevende kracht voor een bewezenverklaring van mishandeling van [slachtoffer 2] en het falen van het noodweer(exces)verweer toe te dichten, deze verklaring te zeer wordt gedenatureerd. Zij heeft – kort samengevat – verklaard dat zij zag dat de verdachte werd aangevallen (getrapt) en dat aangever daarna tot twee keer toe – één keer met het kind bij zich, één keer zonder het kind – zich “richtte tot de verdachte”. Om daar in te lezen dat [slachtoffer 2] de verdachte niet langer aanviel omdat zij zich enkel tot haar “richtte” en de verdachte zich dus niet langer aangevallen mocht voelen, doet geen recht aan de strekking van de verklaring.
Het kan zijn dat aangeefster [slachtoffer 2] na de eerste trap zich niet nog twee keer agressief tot de verdachte gericht heeft, maar het kan evenzeer wel waar zijn. Datzelfde geldt voor de verklaringen van aangevers die stellen dat de verdachte hen allebei opeens aanviel. Ook dat kan wel of niet gebeurd zijn. De politierechter ziet geen andere bevestiging voor eender welk scenario’s, ook niet in het geconstateerde of gestelde letsel. Hoe zeer de betrokkenen uiteindelijk getroffen zijn door de gevolgen van dit incident, de uiteindelijke verwondingen die op dat moment zijn vastgesteld of waarvan aannemelijk is dat die toen zijn toegebracht, passen in beide scenario’s: 1) de verdachte heeft de aangevers aangevallen of 2) de verdachte heeft zich tegen de aangevers verweerd. De politierechter benoemt daarbij dat er geen medische stukken zijn waaruit onmiskenbaar volgt dat de breuk in het scheenbeen-plateau die op 24 november 2024 is geconstateerd, is veroorzaakt door een trap. Dat een ongelukkige val van [slachtoffer 1] na een duw of klap van de verdachte daartoe heeft geleid, kan evenzeer. En dat de verdachte in een situatie van noodweer een duw of een klap heeft gegeven is net zo aannemelijk als het scenario dat zij dat zonder aanleiding gedaan heeft. Hetzelfde geldt voor het letsel van [slachtoffer 2]. De politierechter merkt daarnaast op dat hij zich ervan bewust is dat er veel meer speelt dan alleen deze mishandelingen. Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat aangevers, verdachte en [getuige] al geruime tijd in een onaangename strijd verwikkeld zijn over de zorg voor (en ook het gezag over) [naam]. De politierechter ziet de realiteit onder ogen dat een dergelijke strijd kan betekenen dat betrokkenen daarom verklaringen afleggen waarin zij niet (volledig) naar waarheid verklaren maar verklaringen afleggen waar zij de belangen mee dienen die ze in die strijd voor zich zien.
Behalve deze overwegingen moet de politierechter er ook rekening mee houden dat een heel belangrijke regel in het recht is dat wanneer er sprake is van twijfel, het oordeel moet uitvallen in het voordeel van de verdachte. Dat brengt met zich mee dat nu het scenario dat de verdachte is aangevallen door aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] net zo zeer is onderbouwd als het scenario dat zij als eerste de anderen heeft aangevallen, de politierechter er bij het bepalen van zijn overtuiging vanuit moet gaan dat de verdachte is aangevallen.
Dan is de volgende vraag of de verdachte zich tegen die aanvallen heeft mogen verdedigen op de wijze waarop zij dat gedaan heeft. De politierechter volgt de officier van justitie daarbij niet in haar stelling dat de verdachte met haar handelen niet voldaan heeft aan de eisen van proportionaliteit en/of subsidiariteit. Ook hiervoor geldt dat het scenario waarin de verdachte dat wel gedaan heeft, net zo zeer onderbouwd is als het scenario dat zij dat niet gedaan heeft. En ook dan oordeelt de politierechter in het voordeel van de verdachte. Dat oordeel leidt tot de conclusie dat de verdachte een gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt en zij van de mishandelingen dient te worden vrijgesproken.
4.1.4.
Conclusie
Het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5.Vorderingen benadeelde partijen schadevergoedingsmaatregelen

5.1.1.
[benadeelde partij 1]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 1], ter zake van het onder feit 1 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van €9.535,09 aan materiële schade en een vergoeding van €15.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente
5.1.2.
[benadeelde partij 2]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 2], ter zake van het onder feit 2 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van €2.098,27 aan materiële schade en een vergoeding van €1.366,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
5.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de [benadeelde partij 1] volledig kan worden toegewezen, nu deze voldoende onderbouwd is. Zij vordert dat de vergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente. Ook vordert zij dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
De officier van justitie stelt zich voorts op het standpunt dat de vordering van de [benadeelde partij 2] gedeeltelijk kan worden toegewezen voor een bedrag van €573,27 ter vergoeding van materiele schade en een bedrag van €1000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De vergoeding van de huishoudelijke hulp dient niet te worden toegewezen, nu er geen sprake is van een fysieke beperking, het kaakgewricht niet meer pijnlijk is en uit een document bleek dat de benadeelde partij gezond was op 16 januari 2025. De immateriële schade wordt geschat €1000,00 te bedragen. Ook vordert zij dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.3.
Standpunt verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, nu de verdachte een geslaagd beroep toekomt op noodweer(exces).
5.4.
Beoordeling
De benadeelde partijen zullen in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden.
5.5.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

6.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10-117011-25 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;
verklaart de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Kuilenburg, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.S.M. van Velzen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat1
zij op of omstreeks 24 november 2024 te Rotterdam,
[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]:
- meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en/of te
trappen, en/of
- tegen het lichaam te duwen ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op de grond valt,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken scheenbeenplateau
ten gevolge heeft gehad;
2
zij op of omstreeks 24 november 2024 te Rotterdam,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal:
- tegen het hoofd en/of lichaam te slaan, en/of
- tegen het lichaam te trappen;