Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:14578

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
11537517 CV EXPL 25 - 2943
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.7 algemene huurvoorwaardenArt. 237 RvArt. 233 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens onrechtmatige onderverhuur sociale woning

De huurder huurt sinds mei 2022 een sociale woning van Stichting Havensteder in Rotterdam. Havensteder vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming omdat de huurder de woning tweemaal onrechtmatig heeft onderverhuurd, waarbij sprake is van aanzienlijke winst. De huurder betwist onderverhuur en stelt dat het om medehuurders ging en dat hij zijn hoofdverblijf in de woning had.

De kantonrechter stelt vast dat de huurder inderdaad twee keer een deel van de woning aan derden heeft gegeven, wat in strijd is met de algemene huurvoorwaarden. De huurder erkent een huurovereenkomst met een derde partij waarbij een maandelijkse huur van €1.750,- is afgesproken, wat aanzienlijk hoger is dan de reguliere huur van €631,41. Dit wijst op winstbejag, wat bijzonder kwalijk wordt bevonden gezien de schaarste van sociale woningen.

De kantonrechter oordeelt dat de tekortkomingen ernstig genoeg zijn om de huurovereenkomst te ontbinden. De huurder wordt veroordeeld om binnen veertien dagen de woning te verlaten en een bedrag van €4.808,66 aan Havensteder te betalen als winstafdracht. Tevens moet hij de proceskosten van €1.501,45 voldoen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder veroordeeld tot ontruiming en betaling van €4.808,66 winst en €1.501,45 proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11537517 CV EXPL 25 - 2943
datum uitspraak: 21 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.B.L. van de Weteringe Buys-Kroon,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. D. Uygul - van Dam.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 3 februari 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de akte aanvullende producties van Havensteder;
  • de brief van [gedaagde] van 17 oktober 2025;
  • de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
1.2.
Op 23 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: de heer [persoon A] (woonconsulent) namens Havensteder met de gemachtigde en [gedaagde] met zijn gemachtigde.
1.3.
Op de zitting heeft de kantonrechter op verzoek van Havensteder beslist dat de bijlagen bij de brief van [gedaagde] van 17 oktober 2025 niet worden toegevoegd aan het dossier. Deze zijn te laat opgestuurd naar de rechtbank en Havensteder.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt vanaf 2 mei 2022 de woning aan de [adres] ( [postcode] ) te Rotterdam van Havensteder. De huurprijs is momenteel € 631,41 per maand. Havensteder vindt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door er zelf niet zijn hoofdverblijf te hebben en ook tweemaal de woning te hebben onderverhuurd dan wel in gebruik te hebben gegeven aan derden. Een keer aan [persoon B] en een keer aan [persoon C] . Bovendien heeft [gedaagde] niet meegewerkt toen Havensteder dringende werkzaamheden aan het gehuurde wilde verrichten, aldus Havensteder. Havensteder eist dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt en bepaalt dat [gedaagde] de woning moet verlaten. Ook eist Havensteder dat [gedaagde] de met de onderhuur aan [persoon C] verkregen winst aan Havensteder afdraagt en dat hij de proceskosten betaalt.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en zegt dat hij de woning niet heeft onderverhuurd. [persoon B] en [persoon C] waren slechts zijn huisgenoten en ‘medehuurder’. Een medewerker van Havensteder heeft ook gezegd dat het mogelijk was om met iemand samen te wonen/een medehuurder te hebben. [gedaagde] heeft altijd zijn hoofdverblijf in het gehuurde gehad.
2.3.
[gedaagde] moet van de kantonrechter de woning verlaten en de winst afdragen aan Havensteder. De kantonrechter begroot deze winst wel op een lager bedrag dan Havensteder. Hierna wordt de beslissing uitgelegd.
De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomst
2.4.
Vast staat dat [gedaagde] tot twee maal toe (een deel van) de woning heeft onderverhuurd danwel in gebruik heeft gegeven aan een ander. [gedaagde] betwist niet dat [persoon B] (en haar baby) bij hem hebben ingewoond en dat hij met [persoon C] een huurovereenkomst heeft gesloten. Vast staat dat dit niet mag volgens de algemene huurvoorwaarden (artikel 8.7).
2.5.
[gedaagde] stelt dat hij telefonisch van een medewerker van Havensteder te horen heeft gekregen dat het mogelijk was om met iemand samen te wonen/een medehuurder te hebben. Deze mededeling is op zich juist. Wel is het daarvoor nodig dat Havensteder vooraf schriftelijk toestemming geeft. Dat is niet gebeurd. [gedaagde] is dus tekort geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Vraag is of de tekortkomingen van voldoende gewicht zijn om de huurovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter komt tot het oordeel dat dit het geval is. Dit wordt hierna uitgelegd.
2.6.
[persoon B] heeft ongeveer vijf en een halve maand (met haar baby) bij [gedaagde] ingewoond, terwijl de woning niet geschikt is voor bewoning door meer dan één persoon. Er is maar één slaapkamer in de woning. Het feit dat [gedaagde] van de woonkamer een slaapkamer heeft gemaakt waardoor er twee slaapkamers zijn ontstaan, maakt dit niet anders.
2.7.
[gedaagde] erkent dat hij met [persoon C] een huurovereenkomst heeft gesloten en dat [persoon C] 4,5 maand in het gehuurde heeft gewoond. In de conclusie van antwoord erkent [gedaagde] ook dat er een huur van € 1.750,00 per maand was afgesproken. Dit was volgens hem een ‘all-in bedrag’ en hierin zat ook een vergoeding voor onder meer de boodschappen, de schoonmaak en de nutsvoorzieningen. Op zitting ontkende [gedaagde] dat hij een bedrag van € 1.750,00 had afgesproken. Gelet op hetgeen in de conclusie van antwoord staat en ook in de schriftelijke huurovereenkomst die Havensteder heeft overgelegd, acht de kantonrechter deze ontkenning echter niet geloofwaardig.
2.8.
[gedaagde] heeft aangegeven dat hij [persoon B] en [persoon C] alleen maar heeft willen helpen. De kantonrechter kan zich nog indenken dat dit bij [persoon B] het geval is geweest, maar wat betreft [persoon C] wijzen de feiten toch in een andere richting. [gedaagde] hoeft zelf slechts een huur van € 631,41 te betalen en heeft met [persoon C] een huur van € 1.750,00 afgesproken. Ook als juist is dat hierin een vergoeding voor boodschappen en de nutsvoorzieningen zit, dan nog is er sprake van een forse winst. Hieruit leidt de kantonrechter af dat [gedaagde] voornamelijk uit winstbejag heeft gehandeld. Dat is in het bijzonder kwalijk omdat het om een schaarse sociale woning gaat. Havensteder heeft er daarom groot belang bij dat de huurovereenkomst wordt ontbonden, zodat zij de woning kan verhuren aan iemand die deze hard nodig heeft en die zich wel aan de regels houdt. [gedaagde] heeft er vanzelfsprekend belang bij dat hij zijn woning niet verliest, maar dit belang is niet groter dan het belang van Havensteder. [gedaagde] heeft overigens ook niet aangegeven dat het voor hem onmogelijk is om ergens anders onderdak te vinden.
2.9.
Omdat de hiervoor vermelde tekortkomingen voldoende ernstig zijn om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen, hoeft de kantonrechter niet te oordelen over de vraag of [gedaagde] zelf zijn hoofdverblijf had in het gehuurde en/of onvoldoende heeft meegewerkt aan het verrichten van dringende werkzaamheden door Havensteder.
2.10.
Omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend.
[gedaagde] moet een bedrag van € 4.808,66 betalen
2.11.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 4.808,66 aan Havensteder te betalen. Havensteder heeft ter zitting haar eis verminderd omdat [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat [persoon C] de woning heeft verlaten op 10 oktober 2024. Havensteder eist daarom nog (4,5 maand keer € 1.118,59 =) € 5.033,66. [gedaagde] stelt dat de gevorderde afdracht van winst te hoog is. Zijn winst was lager, omdat hij extra kosten had doordat [persoon C] bij hem woonde. Hij heeft in zijn antwoord een specificatie van deze kosten gegeven, maar de bedragen niet met stukken onderbouwd. De kantonrechter kan deze extra kosten dus niet vaststellen. De kantonrechter vindt het wel aannemelijk dat [gedaagde] enige extra kosten heeft gemaakt zoals een hoger verbruik van nutsvoorzieningen. Om die reden matigt de kantonrechter de winst met € 50,00 per maand voor de periode van 4,5 maand dat [persoon C] de woning huurde. Daardoor resteert een bedrag van (€ 5.033,66 - € 225,00 =) € 4.808,66.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Havensteder moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 543,00 aan griffierecht, € 678,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.501,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder te betalen € 4.808,66;
3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] ( [postcode] ) te Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Havensteder te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 1.501,45 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
62574