Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1..K. VAN GEEST HOLDING B.V.,
PLANTENKWEKERIJ K. VAN GEEST B.V.,
N-G HOLDING II B.V.,
1..AAB BM NEDERLAND B.V.,
2.
[gedaagde 2],
1.De kern van de zaak
register valuatorin opdracht van Rabobank certificaten van aandelen gewaardeerd. NG was eigenaar van die certificaten. Eisers menen dat [gedaagde 2] fouten heeft gemaakt en de waarde te laag heeft vastgesteld. Als gevolg daarvan stellen eisers zich op het standpunt dat zij schade hebben geleden, waarvoor gedaagden aansprakelijk zijn. Tussen partijen staan veel punten ter discussie. De rechtbank beoordeelt de meeste van deze punten. Slotsom is dat jegens Holding en Plantenkwekerij niet onrechtmatig is gehandeld en dat tussen het handelen van [gedaagde 2] en mogelijke schade van NG geen causaal verband bestaat. Aan een verder onderzoek naar de deugdelijkheid van het rapport van [gedaagde 2] komt de rechtbank daarom niet toe. De vorderingen worden afgewezen.
2.De procedure
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de mail van de rechtbank van 6 oktober 2025 met een zittingsagenda;
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
konweten van de schade en de aansprakelijke persoon, brengt niet mee dat eisers daarvan ook feitelijk op de hoogte waren, ook niet nu is komen vast te staan dat [persoon A] destijds na ontvangst het rapport heeft doorgenomen. Het gaat hier om een rapport van 34 pagina’s, exclusief bijlagen, opgesteld door een specialist over een in zekere mate technisch onderwerp. [persoon A] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij destijds in bedrijfseconomisch moeilijke omstandigheden verkeerde en niet de ruimte had om de inhoud van het rapport direct te doorgronden. De details van het rapport zijn toen niet tot hem doorgedrongen. De (gestelde) fouten van [gedaagde 2] zijn hem pas duidelijk geworden toen hij, met ondersteuning van een expert, dieper in het rapport is gedoken. Dat was voorafgaande aan de indiening van de klacht bij de tuchtrechter in juli 2020. Gedaagde hebben deze verklaring niet bestreden. Zij hebben ook geen andere feiten gesteld waaruit zou kunnen volgen dat eisers al eerder dan medio 2020 feitelijk op de hoogte waren van de schade en de aansprakelijke persoon. Voor wat betreft het aanvangsmoment van de verjaring gaat de rechtbank daarom uit van medio 2020.