ECLI:NL:RBROT:2025:14718

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
C/10/711430 / KG ZA 25-1225
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot opheffing van pandhoudersbeslag op inventarissen van failliete Vapiano-restaurants

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen [eiseres], handelend onder de naam [handelsnaam], en [gedaagde], vertegenwoordigd door de curator van de failliete Vava Holding B.V. en haar dochtervennootschappen. De vordering van [eiseres] betreft de opheffing van executoriale beslagen die door [gedaagde] zijn gelegd op de inventarissen van de failliete Vapiano-restaurants. De voorzieningenrechter oordeelt dat de beslagen vexatoir zijn, omdat deze zijn gelegd tijdens een afkoelingsperiode en enkel zijn bedoeld om een hogere verkoopopbrengst te realiseren, wat in strijd is met de taak van de curator om de boedel te vereffenen in het belang van alle schuldeisers. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [eiseres] toegewezen en de beslagen opgeheven, waarbij ook de proceskosten zijn toegewezen aan [eiseres].

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/711430 / KG ZA 25-1225
Vonnis in kort geding van 16 december 2025
in de zaak van

1..[eiseres] ,

tevens handelend onder de naam [handelsnaam] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
advocaat: mr. L.P. Quist,
2.[eiser],
in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van:
- Vava Plaza B.V.,
- Vava Binnenrotte B.V.,
- Vava Buitenhof B.V.,
- Vava Heuvel Galerie B.V.,
- Vava Hoog Catharijne B.V.,
- Vava Leidsenhage B.V.,
- Vava Holding B.V.,
kantoorhoudende te [plaats] ,
eiser,
advocaten: mrs. W.H.B.K. Nieuwesteeg en G.R.C. Mostert,
tegen
[gedaagde] .,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
advocaten: mrs. A.C.L. Beneder en C.J.G.M. van Meggelen.
Partijen worden hierna ook [eiseres] , de curator en VdV genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 12 december 2025, met producties 1 tot en met 24,
  • de akte overleggen producties en wijziging van eis van [eiseres] en de curator, met producties 25 tot en met 33,
  • de aanvullende productie 34 van [eiseres] en de curator,
  • de akte wijziging eis van [eiseres] en de curator,
  • de akte overlegging producties en de in totaal 33 producties van VdV,
  • de spreekaantekeningen van mrs. Nieuwesteeg en Mostert,
  • de pleitaantekeningen van mr. Quist,
  • de spreekaantekeningen van mrs. Beneder en Van Meggelen.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2025.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] houdt zich bezig met de in- en verkoop van gebruikte bedrijfsmiddelen.
2.2.
VdV is enig aandeelhouder en bestuurder van Vava Holding B.V. (hierna: Vava Holding). Vava Holding is enig aandeelhouder en bestuurder van:
- Vava Plaza B.V. (hierna: Plaza),
- Vava Binnenrotte B.V. (hierna: Binnenrotte),
- Vava Buitenhof B.V. (hierna: Buitenhof),
- Vava Heuvel Galerie B.V. (hierna: Heuvel Galerie)
- Vava Hoog Catharijne B.V. (hierna: Hoog Catharijne), en
- Vava Leidsenhage B.V. (hierna: Leidsenhage).
Deze dochtervennootschappen (hierna ook: de Vava-vennootschappen) exploiteerden in diverse Nederlandse steden restaurants onder de Vapiano-formule.
2.3.
Op 31 maart 2025 hebben VdV en Vava Holding een overeenkomst van geldlening (hierna: de leningsovereenkomst) gesloten. Daarin staat dat VdV een geldlening van € 5.987.000,00 aan Vava Holding verstrekt ten behoeve van de bedrijfsvoering van de Vava-vennootschappen. Verder bepaalt de leningsovereenkomst dat Vava Holding en de Vava-vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van de geldlening. Ook hebben Vava Holding en de Vava-vennootschappen zich daarin verplicht om op eerste schriftelijke verzoek van VdV een pandrecht te vestigen op voorraden, bedrijfsinventaris, vorderingen en aandelen van Vava Holding in de Vava-vennootschappen. De leningsovereenkomst is op 17 juni 2025 geregistreerd bij de Belastingdienst.
2.4.
Op 22 augustus 2025 heeft Vava Holding zich in een akte met de titel ‘Vervolgverpanding’ (hierna: de akte) tegenover VdV opnieuw tot verpanding verplicht. De akte is op 2 september 2025 geregistreerd bij de Belastingdienst.
2.5.
Bij vonnissen van 9 en 10 september 2025 zijn Vava Holding en de Vava-vennootschappen in staat van faillissement verklaard. In de faillissementen is mr. C.G.E. Prenger tot rechter-commissaris benoemd en is mr. F. El Houzi tot curator aangesteld. Na het uitspreken van de faillissementen zijn de restaurants tot 26 oktober 2025 opengebleven. De huurovereenkomsten van de panden waarin de restaurants waren gevestigd, lopen tot 31 december 2025 (Hoog Catharijne), 1 januari 2026 (Binnenrotte) en 31 januari 2026 (Plaza, Heuvel Galerie en Buitenhof).
2.6.
Bij e-mail van 3 oktober 2025 heeft mr. Beneder namens VdV aan de curator laten weten dat de geldlening als gevolg van het faillissement van Vava Holding opeisbaar is en dat Vava Holding in verzuim is. Verder schrijft mr. Beneder dat door de registratie van de leningsovereenkomst en de akte ten gunste van VdV een pandrecht is gevestigd op de activa van de Vava-vennootschappen. Ook deelt hij mede dat VdV als separatist zal optreden in de faillissementen van Vava Holding en de Vava-vennootschappen en dus haar recht van parate executie zal uitoefenen. Daarbij merkt hij op dat VdV de bedrijfsinventarissen van de Vava-vennootschappen zo spoedig mogelijk wenst te verkopen.
2.7.
Bij brief van 6 oktober 2025 schrijft de curator aan VdV en mr. Beneder dat met de (registratie van de) leningsovereenkomst en de akte geen rechtsgeldige pandrechten tot stand zijn gekomen. De curator beschikt slechts over de (weliswaar geregistreerde) leningsovereenkomst en akte, maar daarin wordt volgens hem enkel tot verpanding verplicht en worden niet daadwerkelijk pandrechten gevestigd. Indien wel rechtsgeldig pandrechten zouden zijn gevestigd, vernietigt de curator deze op grond van artikel 42 lid 1 Fw.
2.8.
Met toestemming van de rechter-commissaris heeft de curator de inventarissen van de (voormalig) restaurants van Plaza, Binnenrotte, Buitenhof, Heuvel Galerie en Hoog Catharijne (hierna: de inventarissen) aan [eiseres] verkocht voor een bedrag van in totaal € 235.000,00 exclusief btw. Vanwege de discussie met VdV over het bestaan van pandrechten heeft de curator de verkoopopbrengst gesepareerd. De inventarissen zijn nog aanwezig in de vestigingen waarin de restaurants werden geëxploiteerd om in opdracht van [eiseres] te worden geveild door veilinghuis [naam veilinghuis] . De veiling van de inventaris in de vestiging van Hoog Catharijne stond gepland op 15 december 2025.
2.9.
Op 7 oktober 2025 heeft de rechter-commissaris aan de curator toestemming verleend om voor het (voormalig) restaurant van Leidsenhage een doorstartovereenkomst te sluiten met Pavarotti Motn B.V. (hierna: Pavarotti).
2.10.
Bij beschikkingen van 9 oktober 2025 heeft de rechter-commissaris op verzoek van de curator in de faillissementen van de Vava-vennootschappen een afkoelingsperiode afgekondigd, “
waarin de bevoegdheid van [VdV] tot verhaal op tot de boedel behorende goederen of tot de opeising van goederen die zich in de macht van de gefailleerde of de curator bevinden, voor een periode van twee maanden, ingaande 9 oktober 2025, niet kan
worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechter-commissaris.
2.11.
Bij herzien verzoekschrift van 3 december 2025 heeft VdV de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op grond van artikel 496 lid 2 Rv verzocht om verlof te verlenen tot het leggen van executoriaal beslag tot afgifte van de inventarissen. Het verzoekschrift richt zich tegen [eiseres] . VdV legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij een pandrecht op de inventarissen heeft en op grond van artikel 3:237 lid 3 BW en de leningsovereenkomst gebruik kan maken van haar recht van parate executie. Bij beschikking van 3 december 2025 is het gevraagde verlof verleend.
2.12.
Op 4 en 5 december 2025 heeft VdV executoriaal beslag tot afgifte doen leggen op de inventarissen.
2.13.
Bij beschikking van 5 december 2025 heeft de rechter-commissaris de afkoelingsperiode in het faillissement van Vava Leidsenhage verlengd voor een periode van twee maanden, ingaande op 9 december 2025. In de faillissementen van de andere Vava-vennootschappen is de afkoelingsperiode bij beschikkingen van 9 december 2025 verlengd voor een periode van twee maanden, eveneens ingaande op 9 december 2025.
2.14.
Bij verzoekschrift van 9 december 2025 heeft VdV de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op grond van artikel 496 lid 2 Rv verzocht om verlof te verlenen tot het leggen van executoriaal beslag tot afgifte van de inventaris van het (voormalig) restaurant van Leidsenhage en de inventaris in de (voormalig) kantoorruimte van Vava Holding in Leerdam. Het verzoekschrift richt zich tegen de curator. VdV legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij een pandrecht heeft op voornoemde inventarissen en op grond van artikel 3:237 lid 3 BW en de leningsovereenkomst gebruik kan maken van haar recht van parate executie. Het verlof is op 9 december 2025 verleend.
2.15.
Op 9 december 2025 heeft VdV executoriaal beslag tot afgifte doen leggen op de inventaris van Vava Holding in Leerdam en de inventaris van Leidsenhage.
2.16.
Bij e-mail van 10 december 2025 laat mw. [persoon A] namens [naam veilinghuis] aan mr. Quist weten dat de veiling van de inventarissen vanwege het door VdV gelegde pandhoudersbeslag voorlopig
on holdwordt gezet.
2.17.
Bij e-mail van 10 december 2025 informeert een medewerker van de curator mr. Beneder dat de afkoelingsperiode in de faillissementen van de Vava-vennootschappen per 9 december 2025 met twee maanden is verlengd.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] en de VdV vorderen, na eiswijziging, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
de op 4 en 5 december 2025 gelegde executoriale beslagen opheft,
de op 9 december 2025 gelegde executoriale beslagen opheft,
VdV verbiedt om, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over het bestaan en de geldigheid van het pandrecht, op grond van dat gepretendeerde pandrecht (opnieuw) beslag te leggen en/of daartoe verlof te verzoeken, althans VdV beveelt om, indien zij na dit vonnis een verzoek indient om (opnieuw) verlof te krijgen voor het leggen van beslag op grond van het door haar gepretendeerde pandrecht, de dagvaarding en dit vonnis onder de uitdrukkelijke aandacht van de voorzieningenrechter te brengen,
VdV verbiedt om over te gaan tot (verdere) parate executie van het door haar gepretendeerde pandrecht, althans de parate executie van het door VdV gepretendeerde pandrecht te schorsen, althans VdV te veroordelen de parate executie van het door haar gepretendeerde pandrecht te staken en gestaakt te houden, zulks totdat in een bodemprocedure onherroepelijk over het bestaan en de geldigheid van het pandrecht is beslist, onder oplegging van een dwangsom,
VdV veroordeelt om te gehengen en te gedogen dat de curator en door de curator van tijd tot tijd aangewezen derden (waaronder thans [eiseres] ) in het kader van de afwikkeling van de faillissementen van de restaurants zich toegang (blijven) verschaffen tot alle panden die de boedels huren alsmede VdV veroordeelt eisers per direct toegang te verschaffen tot de panden die de boedels huren en die door VdV zijn afgesloten, zulks door overhandiging van de sleutels van die panden aan [eiseres] en de curator, onder oplegging van een dwangsom,
VdV veroordeelt om binnen 24 uur na dit vonnis, althans binnen 24 uur na het stellen door de curator van (aanvullende) vervangende zekerheid, schriftelijk aan [eiseres] en de curator te verklaren dat zij onherroepelijk en onvoorwaardelijk afstand doet van het door haar gepretendeerde pandrecht op de inventarissen van de Vava-vennootschappen alsmede van het door haar gepretendeerde pandrecht op de inventaris van Vava Holding, althans (subsidiair) VdV veroordeelt om onvoorwaardelijk en onherroepelijk aan [naam veilinghuis] te bevestigen dat de veiling van de inventarissen doorgang kan vinden en dat VdV haar gepretendeerde pandrecht niet zal inroepen jegens [naam veilinghuis] , de veilingkopers en diens rechtsopvolgers, onder oplegging van een dwangsom,
VdV veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een voorschot op schadevergoeding van € 153.363,00,
VdV veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
VdV voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] en de curator in hun vorderingen, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] en de curator in de proceskosten.
VdV heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzigingen van [eiseres] en de curator.

4.De beoordeling

eisers zijn ontvankelijk
4.1.
VdV voert een niet-ontvankelijkheidsverweer. Zij stelt dat [eiseres] en de curator geen concreet belang hebben bij hun vorderingen omdat de boedels van Vava Holding en de Vava-vennootschappen en [eiseres] door de beslagen geen schade lijden.
De voorzieningenrechter volgt VdV niet in haar stelling. De beslagen blokkeren immers de veiling door [eiseres] van de inventarissen, belemmeren de curator in de afwikkeling van de faillissementen en frustreren de doorstart door Pavarotti van de voormalige Vapiano-vestiging van Leidsenhage. Daarmee is aannemelijk dat [eiseres] en de boedels als gevolg van de beslagen schade hebben geleden en nog steeds schade lijden.
spoedeisend belang
4.2.
[eiseres] en de curator hebben ook spoedeisend belang bij hun vorderingen.
Dat spoedeisend belang is erin gelegen dat VdV op dit moment haar gepretendeerde recht als pandhouder uitoefent en op grond daarvan wenst over te gaan tot verkoop van roerende zaken die eigendom van [eiseres] zijn en tot de boedels van Vava Holding en Leidsenhage behoren. [eiseres] en de curator willen op zeer korte termijn tot veiling van de inventarissen overgaan, omdat de inventarissen zich nog in de voormalige Vapiano-vestigingen bevinden en de huurovereenkomsten van die vestigingen binnenkort eindigen (zie 2.5.). De curator heeft onweersproken gesteld dat hij verplicht is om de panden tijdig en bezemschoon op te leveren. Hij verwacht dat de verhuurders aanzienlijke schadevorderingen als boedelschulden zullen indienen als hij die verplichting niet nakomt.
verzet tegen executie door derde
4.3.
[eiseres] en de curator gronden hun vorderingen tot opheffing van de beslagen op artikel 438 Rv. Hoewel het herziene verzoekschrift is gericht tegen [eiseres] (zie 2.11. hiervoor), heeft [eiseres] in dit geval te gelden als derde. Op grond van lid 6 van artikel 438 Rv geschiedt verzet tegen de executie door een derde door dagvaarding van zowel de executant (VdV) als de geëxecuteerde (de curator). Daarmee wordt beoogd om de zelfstandige belangen van de geëxecuteerde te beschermen. Nu de curator dit kort geding mede aanhangig heeft gemaakt, worden zijn belangen voldoende gewaarborgd en wordt aangenomen dat in zoverre aan artikel 438 lid 6 Rv is voldaan.
opheffing beslagen
4.4.
[eiseres] en de curator stellen dat de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten in het arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) ook gelden in het geval van (dreigende) executie door een pandhouder. Volgens [eiseres] en de curator moet in dit geval aangesloten worden bij de situatie van de executie op basis van een toewijzend vonnis waartegen nog een rechtsmiddel openstaat. Een belangenafweging dient dan tot opheffing van de beslagen te leiden. Daarnaast levert parate executie in de visie van [eiseres] en de curator misbruik van bevoegdheid op. Ook menen zij dat de beslagen in de gegeven omstandigheden onrechtmatig (vexatoir) zijn.
4.5.
VdV stelt dat een pandhoudersbeslag niet voor opheffing vatbaar is indien de beslaglegger aan de voorwaarden van artikel 496 lid 2 Rv heeft voldaan. Volgens VdV blijkt dit uit een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 7 april 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:3137). De voorzieningenrechter leest dit echter niet in voornoemd vonnis. Op grond van artikel 438 Rv is het juist mogelijk om tegen een executie op te komen. Dit geldt ook in geval van executie door een pandhouder.
4.6.
Niet in geschil is dat de beslagen tijdens de (verlenging van de) afkoelingsperiode zijn gelegd. Hoewel VdV in haar beslagrekesten heeft vermeld dat de rechter-commissaris een afkoelingsperiode heeft gelast en dat zij niet bekend is met verlenging daarvan, heeft zij daarover geen nadere informatie aan de voorzieningenrechter verstrekt. Zij heeft bijvoorbeeld niet opgemerkt dat zij expliciet in de beschikkingen wordt genoemd (zie 2.10.). Niet alleen dient een partij alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Het had ook op de weg van VdV gelegen om onderzoek te doen naar de status of een eventuele verlenging van de afkoelingsperiode, bijvoorbeeld door hiernaar bij de curator te informeren. Dit geldt te meer omdat in de beschikkingen staat dat de bevoegdheid van VdV tot verhaal op tot de boedels behorende goederen of tot opeising van goederen die zich in de macht van de gefailleerden of de curator bevinden voor een periode van twee maanden niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechter-commissaris.
Ten aanzien van de op 4 en 5 december 2025 gelegde beslagen stelt VdV dat de inventarissen de boedels op 18 en 29 november 2025 hebben verlaten omdat zij op die data zijn geleverd aan [eiseres] . Volgens VdV was een machtiging van de rechter-commissaris alleen nodig in geval van verhaal op goederen die zich in de boedel bevinden en gold dit dus niet voor de inventarissen. VdV wordt hier niet in gevolgd. VdV miskent met haar betoog dat op grond van artikel 63a Fw de afkoelingsperiode ook betrekking kan hebben op goederen die buiten de boedel vallen, maar die zich in de macht van de curator bevinden. Op het moment van de beslagleggingen stonden de inventarissen in de voormalige Vapiano-vestigingen en waren zij dus in de macht van de curator.
4.7.
De omstandigheid dat de curator de inventarissen tijdens de afkoelingsperiode aan [eiseres] heeft verkocht, zonder hierover afspraken te maken met VdV, rechtvaardigt niet de conclusie dat de rechten van VdV als pandhouder op ongerechtvaardigde wijze zijn beknot. De curator heeft alle biedingen, waaronder een bieding van VdV inzake de doorstart van alle Vapiano-restaurants, beoordeeld en de biedingen van [eiseres] en Pavarotti het meest opportuun bevonden. Als VdV hier bezwaar tegen had gehad, had zij daar op grond van de artikelen 57, 63a en 69 Fw tegen op kunnen komen. Dat heeft zij niet gedaan.
4.8.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft VdV toegelicht dat zij met de beslagen niet alsnog een doorstart van de Vapiano-restaurants wenst te bewerkstellingen, maar deze enkel heeft gelegd om een hogere verkoopopbrengst te realiseren. Volgens VdV kan zij de inventarissen voor een hoger bedrag verkopen dan het bedrag waarvoor de curator de inventarissen aan [eiseres] heeft verkocht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft VdV haar stelling niet voldoende onderbouwd. Zij weet immers niet op welke wijze zij de inventarissen zou willen verkopen (de meest voor de hand liggende opties zijn volgens haar een onderhandse verkoop aan de franchisenemer, zelf de veiling overnemen of de inventarissen zelf via een openbare veiling kopen) en tot welke opbrengst dit dan zou kunnen leiden. Daar komt bij dat VdV met haar betoog uit het oog verliest dat op de curator de taak rust om zich bij het vereffenen van een failliete boedel te richten op opbrengstmaximalisatie voor de gezamenlijke schuldeisers. De voorzieningenrechter heeft geen reden om aan te nemen dat de curator deze taak zou hebben verzaakt of een ander belang behartigt.
4.9.
Nu alle beslagen in weerwil van de (verlengde) afkoelingsperiode zijn gelegd en VdV geen in redelijkheid te respecteren belang had bij het uitoefenen van haar gepretendeerde recht als pandhouder, zijn de beslagen vexatoir. De vorderingen tot opheffing van de beslagen worden dan ook toegewezen. Het antwoord op de vraag of de pandrechten rechtsgeldig zijn gevestigd, hoeft daarmee niet te worden gegeven, nog daargelaten dat daarover in kort geding slechts een voorlopig oordeel kan worden gegeven.
geen verbod om opnieuw beslag te mogen leggen
4.10.
[eiseres] en de curator vorderen dat het VdV wordt verboden om op grond van het gepretendeerde pandrecht opnieuw verlof te vragen voor het leggen van beslag. De vordering wordt afgewezen, omdat deze ziet op een eventuele, toekomstige gebeurtenis. Een nieuw beslagrekest dient op basis van de dan voorliggende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld. Gelet op de handelwijze van VdV merkt de voorzieningenrechter op dat VdV op grond van artikel 21 Rv verplicht is om alle voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als zij op grond van het gepretendeerde pandrecht opnieuw verlof vraagt voor het leggen van beslag, zal zij dus dit vonnis, voorzien van een nadere toelichting, bij het beslagrekest moeten voegen.
geen verbod verdere parate executie
4.11.
[eiseres] en de curator vorderen voorts dat het VdV wordt verboden om over te gaan tot (verdere) parate executie van het gepretendeerde pandrecht althans dat zij de parate executie staakt. De vordering wordt afgewezen, omdat de gelegde beslagen in dit vonnis worden opgeheven en de dreiging van parate executie daarmee wordt weggenomen. Ten aanzien van de bij [eiseres] en de curator bestaande vrees dat VdV een voorzieningenrechter eenzijdig en onvolledig informeert om op grond van artikel 496 lid 2 Rv verlof te verkrijgen voor het leggen van beslag, wordt verwezen naar de overweging in 4.11.
geen veroordeling toegang tot panden
4.12.
De vordering die ertoe strekt dat VdV de toegang van [eiseres] en de curator tot de panden van de voormalige Vapiano-restaurants niet belemmert, wordt afgewezen. Mr. Beneder heeft tijdens de mondelinge behandeling immers bevestigd dat VdV niet over sleutels van de betreffende panden beschikt en daar dus geen toegang toe heeft.
geen afstand pandrecht of instructie [naam veilinghuis]
4.13.
[eiseres] en de curator vorderen dat VdV wordt veroordeeld om onherroepelijk en onvoorwaardelijk afstand te doen van de door haar gepretendeerde pandrechten op de inventarissen. Die vordering wordt afgewezen. Hoewel de curator de verkoopopbrengst van de inventarissen heeft gesepareerd, rechtvaardigt dit niet de conclusie dat VdV haar gepretendeerde rechten thans dient prijs te geven. Daarnaast is het is aan de bodemrechter om, indien nodig, een definitief oordeel te geven over het bestaan van de pandrechten op de inventarissen. VdV wordt ook niet veroordeeld om [naam veilinghuis] te informeren dat de veilingen doorgang kunnen vinden. [eiseres] kan zich met dit vonnis immers zelf tot [naam veilinghuis] wenden met de mededeling dat geen beslag meer op de inventarissen rust.
geen voorschot schadevergoeding
4.14.
[eiseres] vordert betaling door VdV van een bedrag van € 153.363,00. Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat zij schade heeft geleden omdat [naam veilinghuis] de veiling van de inventarissen vanwege de beslagen
on holdheeft gezet en dat de inventarissen door deze vertraging niet meer in de voormalige Vapiano-restaurants kunnen worden geveild. Daardoor is de verwachting dat de verkoopopbrengst lager zal zijn.
4.15.
Voor een geldvordering in kort geding geldt dat terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats is. Bij de beoordeling speelt onder meer een rol of de vordering voldoende aannemelijk is en of een onmiddellijke voorziening is vereist.
4.16.
De voorzieningenrechter wijst de vordering af. Hoewel aannemelijk is dat [eiseres] als gevolg van de handelwijze van VdV schade heeft geleden, is vooralsnog onduidelijk wat de omvang van die schade is. Een groot deel van het door [eiseres] gevraagde voorschot (een bedrag van € 93.623,00) betreft een schatting van de schade als gevolg van een lagere verkoopopbrengst. Niet alleen is die schade nog niet geleden, maar ten aanzien van de vestigingen van Binnenrotte, Plaza, Heuvel Galerie en Buitenhof heeft [eiseres] ook niet duidelijk gemaakt waarom de veiling van de inventarissen niet alsnog vanuit de voormalige Vapiano-restaurants zou kunnen plaatsvinden. Voor de kosten van de verhuizing van de inventaris van Hoog Catharijne geldt dat [eiseres] deze heeft begroot op € 39.740,00 en heeft gespecificeerd. Zij heeft echter niet onderbouwd dat zij een spoedeisend belang bij betaling heeft. Op grond van een verklaring van [naam veilinghuis] is voorts aannemelijk dat zij kosten in rekening zal brengen voor het uitstellen van de veiling van de inventaris van Hoog Catharijne. [naam veilinghuis] noemt een bedrag van € 20.000,00. Niet gebleken is dat [eiseres] dit bedrag al heeft moeten betalen. Ook hier gaat het dus om schade die nog niet is geleden.
proceskosten
4.17.
VdV wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiseres] en de curator betalen. Omdat alleen [eiseres] een geldvordering heeft ingesteld, wordt van haar een hoger griffierecht geheven. De proceskosten worden begroot op:
- kosten dagvaarding: € 122,50
- griffierecht [eiseres] : € 6.861,00
- griffierecht curator: € 331,00
- salaris advocaat: € 2.214,00 (salaris × 2)
- nakosten:
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal: € 9.706,50
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
heft op de op 4 en 5 december 2025 door VdV op de door [eiseres] gekochte inventarissen gelegde executoriale beslagen,
5.2.
heft op de op 9 december 2025 door VdV op de inventarissen van Vava Holding en Vava Leidsenhage gelegde executoriale beslagen,
5.3.
veroordeelt VdV in de proceskosten van € 9.706,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt VdV tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. J. Mendlik op 16 december 2025. [2971/3577]