De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van zes maanden. De minderjarige woont bij zijn moeder, die onder toezicht staat en hulp ontvangt van Elckerlyc en Pameijer. De GI constateert dat de moeder overbelast is en dat de zorg voor de minderjarige meer vraagt dan zij kan bieden. De vader staat achter een uithuisplaatsing, maar prefereert plaatsing binnen zijn netwerk boven een neutraal pleeggezin.
De moeder voert verweer en benadrukt dat zij met passende hulpverlening de verzorging en opvoeding kan dragen. Er is een actieplan opgesteld door Elckerlyc met concrete doelen voor verbetering van de opvoedomgeving. De kinderrechter stelt vast dat de moeder nog een kans krijgt om noodzakelijke veranderingen te realiseren en dat een uithuisplaatsing een uiterste maatregel is die pas wordt ingezet als alle andere mogelijkheden zijn uitgeput.
De kinderrechter overweegt dat er onvoldoende zicht is op de opvoedvaardigheden van de vader en zijn netwerk en dat een plaatsing binnen het netwerk de voorkeur heeft boven een neutraal pleeggezin. Gezien de complexe dynamiek tussen ouders en de huidige hulpverlening acht de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment niet noodzakelijk in het belang van de minderjarige. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het verzoek wordt afgewezen.