ECLI:NL:RBROT:2025:14739

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
11657643 CV EXPL 25-9814
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en huurachterstand in Rotterdam

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een verhuurder en een huurder. De verhuurder, vertegenwoordigd door mr. P.R. Autar, had de huurovereenkomst willen ontbinden vanwege een huurachterstand van € 3.524,-. De huurder, vertegenwoordigd door mr. M. Kaplan, had echter kort na de dagvaarding op 14 april 2025 de huurachterstand volledig ingelopen. De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst niet ontbonden kon worden, omdat de tekortkoming van de huurder niet meer ernstig genoeg was om de overeenkomst te beëindigen. De rechter hield rekening met de omstandigheden, waaronder de psychische ziekte van de huurder en het feit dat de huurachterstand snel was ingelopen. De verhuurder had ook aangevoerd dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd in strijd zou zijn met het eigendomsrecht volgens artikel 1 van het Protocol bij het EVRM, maar de kantonrechter oordeelde dat deze inmenging gerechtvaardigd en proportioneel was. De kantonrechter heeft de verhuurder ook incassokosten van € 264,40 toegewezen, omdat aan de voorwaarden voor vergoeding was voldaan. De proceskosten werden begroot op € 1.079,45, die voor rekening van de huurder kwamen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11657643 CV EXPL 25-9814
datum uitspraak: 12 december 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,
eiser,
gemachtigde: mr. P.R. Autar,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M. Kaplan.
De partijen worden ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 14 april 2025, met bijlagen;
  • het antwoord van 16 mei 2025, met bijlagen.
1.2.
Op 10 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: namens [eiser] de gemachtigde en [gedaagde] met zijn gemachtigde.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.
[gedaagde] huurt sinds 1 september 2016 van [eiser] de woning aan de [adres] in ( [postcode] ) Rotterdam. De huur is nu € 881,33 per maand. Op het moment van dagvaarden was er een huurachterstand van € 3.524,-. De eis van [eiser] is dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. Als grondslag voor de ontbinding heeft [eiser] primair de huurachterstand aangevoerd en subsidiair dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd strijdig is met Europees recht. Verder maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van incassokosten. [gedaagde] heeft kort na het uitbrengen van de dagvaarding de huurachterstand geheel betaald. [gedaagde] hoeft de woning niet te verlaten, maar moet nog wel kosten aan [eiser] betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Huurachterstand
2.2.
[gedaagde] heeft een betalingsbewijs van 17 april 2025 overgelegd, waaruit blijkt dat hij de huurachterstand volledig heeft betaald. [eiser] heeft erkend de betaling te hebben ontvangen. Volgens [eiser] staat er nog een bedrag van € 1,32 open, maar dat is door [gedaagde] betwist en door [eiser] niet onderbouwd. Daarom is het bedrag van € 1,32 niet toewijsbaar. Omdat de huurachterstand inmiddels is betaald, wordt [gedaagde] niet veroordeeld om te betalen.
De huurovereenkomst wordt niet ontbonden
2.3.
De huurovereenkomst wordt niet ontbonden, omdat [gedaagde] – weliswaar na dagvaarding – de achterstand geheel heeft ingelopen. Dat betekent dat de tekortkoming van [gedaagde] niet meer ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Ontbinding volgt meestal bij een aanhoudende achterstand van meer dan drie maanden, maar de rechter moet alle omstandigheden afwegen. [1] . De kantonrechter heeft er in dit geval ook rekening mee gehouden dat de huurachterstand was ontstaan door (psychische) ziekte van [gedaagde] en dat [gedaagde] vrijwel meteen na dagvaarding de nodige betalingen heeft gedaan waardoor er geen huurachterstand meer is. [eiser] heeft aangevoerd dat er in 2018 al eens eerder een huurachterstand is geweest en dat daarom de huurovereenkomst moet worden ontbonden. Daar houdt de kantonrechter geen rekening mee, omdat dit te lang geleden is.
2.4.
[eiser] heeft nog aangevoerd dat de huurovereenkomst woonruimte voor onbepaalde tijd en het Nederlands recht met betrekking tot opzegging en ontruimingsbescherming in strijd zou zijn met artikel 1 van het Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en een te grote inbreuk zou maken op het eigendomsrecht van [eiser] . In die bepaling is een zeer ruim eigendomsbegrip bepaald en het Nederlandse huurrecht is daarmee – kort gezegd – strijdig als het gaat om de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd en de beperkte mogelijkheden die de Nederlandse wet biedt om een huurovereenkomst voor bepaalde tijd af te sluiten. Ook om die reden moet ontbinding volgen, aldus [eiser] .
2.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Nog los van de vraag of ontbinding het rechtsgevolg is van dit betoog, slaagt het niet. Weliswaar kan het stelsel van Nederlandse huurwet- en regelgeving worden aangemerkt als een inmenging in het eigendomsrecht van [eiser] , maar geoordeeld wordt dat die inmenging gerechtvaardigd en proportioneel is. [2] De inmenging is voorzien bij wet (BW boek 7 titel 4 afdeling 5), waarbij de wetgever heeft gekozen voor het nastreven van doelstellingen van algemeen belang zoals bescherming van de huurder en het bieden van tegenwicht aan de machtspositie van de verhuurder. Deze doelstellingen liggen bij uitstek binnen het politieke domein en lenen zich in dit opzicht niet voor een inhoudelijke beoordeling door de rechter. Dat de inmenging disproportioneel zou zijn, is niet gebleken. Zo is de huurovereenkomst vrijwillig tot stand gekomen, biedt de wet- en regelgeving voldoende mogelijkheid tot het eindigen van de huurovereenkomst [3] en is niet gebleken dat bijvoorbeeld het verhuren van de woning voor [eiser] een structurele en niet te verbeteren verliessituatie oplevert. Dat voortzetting van de huurovereenkomst voor [eiser] in dit geval een onevenredige last zou betekenen, heeft hij verder niet onderbouwd. Ook om die reden volgt dus geen ontbinding van de huurovereenkomst.
Incassokosten
2.6.
De incassokosten van € 264,40 worden toegewezen, omdat met de aanmaningsbrief van 3 februari 2025 aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). Weliswaar is de huurachterstand inmiddels ingelopen, zoals door [gedaagde] is aangevoerd, maar dit was na de wettelijke termijn. [gedaagde] is daarom genoemd bedrag aan incassokosten verschuldigd.
Geen oneerlijke bepalingen
2.7.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
Proceskosten
2.8.
[gedaagde] is terecht in rechte betrokken, omdat op het moment van de dagvaarding een huurachterstand bestond. De proceskosten komen daarom voor rekening van [gedaagde] . (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 257,- aan griffierecht, € 542,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 271,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.079,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt, zoals geëist, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 264,40;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.079,45;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
932

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.
2.Vgl. Hoge Raad 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:110 en Hof Den Haag 5 juli 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1950.
3.De verhuurder kan bijvoorbeeld een huurovereenkomst voor bepaalde tijd afspreken. Ook bestaat de mogelijkheid om de rechter te vragen om de gevolgen van een overeenkomst te wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk te ontbinden in geval van onvoorziene omstandigheden.