Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 14 april 2025, met bijlagen;
- het antwoord van 16 mei 2025, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een verhuurder en een huurder. De verhuurder, vertegenwoordigd door mr. P.R. Autar, had de huurovereenkomst willen ontbinden vanwege een huurachterstand van € 3.524,-. De huurder, vertegenwoordigd door mr. M. Kaplan, had echter kort na de dagvaarding op 14 april 2025 de huurachterstand volledig ingelopen. De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst niet ontbonden kon worden, omdat de tekortkoming van de huurder niet meer ernstig genoeg was om de overeenkomst te beëindigen. De rechter hield rekening met de omstandigheden, waaronder de psychische ziekte van de huurder en het feit dat de huurachterstand snel was ingelopen. De verhuurder had ook aangevoerd dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd in strijd zou zijn met het eigendomsrecht volgens artikel 1 van het Protocol bij het EVRM, maar de kantonrechter oordeelde dat deze inmenging gerechtvaardigd en proportioneel was. De kantonrechter heeft de verhuurder ook incassokosten van € 264,40 toegewezen, omdat aan de voorwaarden voor vergoeding was voldaan. De proceskosten werden begroot op € 1.079,45, die voor rekening van de huurder kwamen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.