ECLI:NL:RBROT:2025:14746
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schorsing tenuitvoerlegging gevangenisstraf wegens ontvankelijkheid hoger beroep
De verzoeker is bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden door de politierechter van de rechtbank Rotterdam op 12 februari 2025. De beslissing is op 10 september 2025 aan de verzoeker medegedeeld, waarna op 20 oktober 2025 hoger beroep is ingesteld.
De verzoeker verzoekt schorsing van de tenuitvoerlegging van de straf totdat het hoger beroep onherroepelijk is beslist. Hij stelt dat de schriftelijke mededeling van het vonnis uitsluitend in het Nederlands is verstrekt, terwijl hij deze taal niet machtig is en geen vertaling heeft ontvangen. Een agent heeft mondeling in het Engels geprobeerd de mededeling toe te lichten, maar het was onduidelijk of de verzoeker dit voldoende begreep.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 6:1:16 Sv Pro de tenuitvoerlegging wordt geschorst zolang rechtsmiddelen openstaan, tenzij het Openbaar Ministerie kan aantonen dat het rechtsmiddel te laat is ingesteld zonder verontschuldigbare omstandigheden. Gezien het voorlopige karakter van de procedure en de tekortkomingen in de informatieverstrekking acht de rechter het niet hoogst onwaarschijnlijk dat het gerechtshof het hoger beroep ontvankelijk zal verklaren. Daarom wordt het verzoek tot schorsing toegewezen.
Uitkomst: De tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt geschorst totdat het hoger beroep onherroepelijk is beslist.