Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een dwangakkoord af te dwingen tegen twee schuldeisers die weigerden in te stemmen met haar schuldregeling. De schuldregeling bood een betaling van 22,23% aan veertien concurrente schuldeisers, waarvan twaalf instemden. De twee weigeraars vertegenwoordigden 13,82% van de totale schuldenlast.
De rechtbank stelde vast dat verzoekster sinds oktober 2024 een ZW-uitkering ontvangt en geen inkomen verwacht boven dit niveau. Het voorstel was getoetst door een onafhankelijke deskundige en was goed gedocumenteerd. De rechtbank oordeelde dat het voorstel het uiterste was wat verzoekster redelijkerwijs kon bieden en dat het een gunstiger resultaat bood dan de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Gelet op de belangenafweging woog het belang van verzoekster en de meerderheid van schuldeisers zwaarder dan dat van de twee weigeraars. De rechtbank wees het verzoek tot toepassing van de Wsnp af en veroordeelde de weigeraars in de proceskosten. Het dwangakkoord trad in de plaats van vrijwillige instemming, waardoor verzoekster haar schulden kan blijven aflossen.