ECLI:NL:RBROT:2025:14751

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1509 – FT RK 25/1510
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een dwangakkoord in een faillissementsprocedure met betrekking tot een schuldregeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot toepassing van een schuldregeling door verzoekster, die te maken heeft met meerdere schuldeisers. Verzoekster, een 35-jarige vrouw, heeft op 21 augustus 2025 een verzoek ingediend om een schuldregeling aan te bieden aan haar schuldeisers, waaronder GGN Mastering Credit B.V. en Capabel Onderwijs Groep B.V. De aangeboden regeling houdt in dat er geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers, en verzoekster heeft verzocht om kwijtschelding van haar schulden. Vier van de vijf schuldeisers hebben ingestemd met de regeling, maar Capabel Onderwijs heeft geweigerd mee te werken, ondanks dat zij een aanzienlijk aandeel in de totale schuldenlast hebben.

De rechtbank heeft de situatie beoordeeld en vastgesteld dat de aangeboden regeling het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht, gezien haar huidige financiële situatie en het feit dat zij een Participatiewet-uitkering ontvangt. De rechtbank heeft ook opgemerkt dat er geen reëel perspectief is op afloscapaciteit binnen de wettelijke schuldsaneringsregeling, en dat de kosten van een dergelijke regeling waarschijnlijk ten laste van de Staat zouden komen.

Uiteindelijk heeft de rechtbank besloten om Capabel Onderwijs te bevelen in te stemmen met de schuldregeling, en hen te veroordelen in de kosten van de procedure, die op nihil zijn begroot. De rechtbank heeft ook bepaald dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers, en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Dit vonnis is openbaar uitgesproken door mr. B.J. Tideman, rechter, en griffier S.R.L.T. Peek.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 12 december 2025
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 21 augustus 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- Capabel Onderwijs Groep B.V., in behandeling bij GGN Mastering Credit B.V. (hierna: Capabel Onderwijs);
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
GGN Mastering Credit B.V. heeft voorafgaand aan de zitting op 21 november 2025 namens Capabel Onderwijs een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 3 december 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw E. Zuurmond-van Krimpen, werkzaam bij de gemeente Nissewaard (hierna: schuldhulpverlening).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift vijf schuldeisers, waarvan één preferent en vier concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 3.720,36 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 21 maart 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft een ontheffing van de sollicitatieverplichting overgelegd over de periode 25 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2025. Daarnaast heeft zij een ontheffing van de sollicitatieverplichting overgelegd over de periode 25 november 2025 tot en met 24 november 2026. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij niet verwacht dat de afloscapaciteit van verzoekster binnen afzienbare tijd zal toenemen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan.
Vier schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Capabel Onderwijs stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 2.238,24 op verzoekster, welke 60,2% van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

In haar verweerschrift heeft Capabel Onderwijs zich op het standpunt gesteld dat zij een aandeel hebben in de totale schuldenlast van 60,2%. Verzoekster is een relatief jonge vrouw van 35 jaar. Niet uit te sluiten valt dus dat zij in de toekomst meer inkomen zal genereren. Capabel Onderwijs is van mening dat een totale schuldenlast van € 3.720,36 ook een relatief lage schuldenlast is. Capabel Onderwijs heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling niet voorziet in een uitkering, staat het belang van Capabel Onderwijs bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Capabel Onderwijs in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Capabel Onderwijs een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 60,2%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk vier van de vijf schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten gemeente Nissewaard. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster een Participatiewet-uitkering ontvangt. Verzoekster heeft een ontheffing van de sollicitatieverplichting overgelegd over de periode 25 oktober 2024 tot en met 24 oktober 2025. Daarnaast heeft zij een ontheffing van de sollicitatieverplichting overgelegd over de periode 25 november 2025 tot en met 24 november 2026. Voldoende aannemelijk is geworden dat zij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen. Voorts is ter onderbouwing van het verzoek een vtlb-berekening aangeleverd waaruit blijkt dat verzoekster onder de huidige omstandigheden geen afloscapaciteit heeft. Dat dit op termijn zal wijzigen, is niet aannemelijk geworden. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster in de komende jaren geen afloscapaciteit zal verkrijgen. Daarnaast is niet gebleken dat verzoekster over vermogensbestanddelen beschikt die waarde zouden kunnen opleveren voor de schuldeisers.
Uit het bovenstaande vloeit ook voort dat er geen reëel perspectief is op afloscapaciteit binnen een wettelijke schuldsaneringsregeling, zoals subsidiair verzocht. Dat betekent dat ook in de situatie dat de schuldsaneringsregeling (eventueel met een eerdere ingangsdatum) op verzoekster van toepassing zou zijn, er geen vooruitzicht is op een uitdeling aan de schuldeisers. Dat terwijl toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich brengt, bestaande uit onder meer salaris voor de bewindvoerder en griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen.
Gelet op die omstandigheden en het belang van verzoekster bij een schuldenvrije toekomst, dient het belang van verzoekster in dit geval naar het oordeel van de rechtbank te prevaleren boven het belang van Capabel Onderwijs.
Het verzoek om Capabel Onderwijs te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Capabel Onderwijs als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt Capabel Onderwijs om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Capabel Onderwijs in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van
S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.