ECLI:NL:RBROT:2025:14752

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1987 – FT RK 25/1988
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in het kader van schuldsanering met betrekking tot huurachterstand en niet-nakoming afspraken schuldhulpverlening

In deze zaak heeft verzoekster op 31 oktober 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 van de Faillissementswet (Fw) voor een voorlopige voorziening ex artikel 287b, eerste lid, Fw. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek op 19 november 2025 bepaald. Tijdens de zitting op die datum was verzoekster niet aanwezig, terwijl verweerster, vertegenwoordigd door gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen B.V., ook niet ter zitting verscheen. De rechtbank heeft de uitspraak op 26 november 2025 gedaan.

Verzoekster vroeg om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat het vonnis van 2 april 2024 tot ontruiming van haar woning ten uitvoer zou worden gelegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster een huurachterstand heeft die is ontstaan vanaf september 2023 en dat eerdere afspraken met schuldhulpverlening niet zijn nagekomen. De rechtbank heeft beoordeeld of er sprake is van een bedreigende situatie, zoals vereist in artikel 287b, tweede lid, Fw, en concludeerde dat dit het geval was, gezien de dreigende ontruiming.

De rechtbank heeft echter ook de belangen van verzoekster en verweerster afgewogen. Verzoekster heeft geen vast inkomen en heeft afspraken met schuldhulpverlening afgezegd, waardoor het traject niet kan worden opgestart. De rechtbank oordeelde dat het belang van verweerster om het vonnis tot ontruiming uit te voeren zwaarder weegt dan het belang van verzoekster om in de woning te blijven. Daarom heeft de rechtbank het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen en verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 26 november 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 31 oktober 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 november 2025.
Ter zitting van 19 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
- mevrouw R. van ‘t Ende, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen B.V. heeft namens Stichting Havensteder (hierna: verweerster) op 6 november 2025 aan de rechtbank een reactie op het verzoekschrift toegezonden.
Verzoekster heeft op de dag van de zitting per mail aangegeven niet bij de zitting aanwezig te kunnen zijn en gevraagd om de zitting te verplaatsen.
Verweerster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.

3.Het verweer

Gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen B.V. heeft namens Stichting Havensteder te kennen gegeven dat de huurachterstand vanaf september 2023 is ontstaan. Eerdere schuldhulpverlening is niet op gang gekomen omdat verzoekster de afspraken niet is nagekomen. Verder wordt de lopende huur en de overeengekomen regeling al maanden niet meer betaald.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 10 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 4 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 2 april 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft tot op heden geen vast inkomen, op haar toeslagen na. Schuldhulpverlening heeft afspraken gemaakt voor verzoekster om een PW-uitkering aan te vragen, maar deze afspraken heeft verzoekster afgezegd. Daarnaast is het schuldhulpverlening ook niet gelukt om met verzoekster een afspraak te maken, waardoor het traject niet kan worden opgestart. Hierdoor is er niet alleen geen inkomen beschikbaar om de lopende termijnen te voldoen, maar kan het schuldhulpverleningstraject ook niet worden opgestart. De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk dat een minnelijk traject kan worden afgerond, dan wel dat gedurende de gevraagde voorziening een WSNP-verzoek kan worden ingediend. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekster. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.