ECLI:NL:RBROT:2025:14752
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in het kader van schuldsanering met betrekking tot huurachterstand en niet-nakoming afspraken schuldhulpverlening
In deze zaak heeft verzoekster op 31 oktober 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 van de Faillissementswet (Fw) voor een voorlopige voorziening ex artikel 287b, eerste lid, Fw. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek op 19 november 2025 bepaald. Tijdens de zitting op die datum was verzoekster niet aanwezig, terwijl verweerster, vertegenwoordigd door gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen B.V., ook niet ter zitting verscheen. De rechtbank heeft de uitspraak op 26 november 2025 gedaan.
Verzoekster vroeg om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat het vonnis van 2 april 2024 tot ontruiming van haar woning ten uitvoer zou worden gelegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster een huurachterstand heeft die is ontstaan vanaf september 2023 en dat eerdere afspraken met schuldhulpverlening niet zijn nagekomen. De rechtbank heeft beoordeeld of er sprake is van een bedreigende situatie, zoals vereist in artikel 287b, tweede lid, Fw, en concludeerde dat dit het geval was, gezien de dreigende ontruiming.
De rechtbank heeft echter ook de belangen van verzoekster en verweerster afgewogen. Verzoekster heeft geen vast inkomen en heeft afspraken met schuldhulpverlening afgezegd, waardoor het traject niet kan worden opgestart. De rechtbank oordeelde dat het belang van verweerster om het vonnis tot ontruiming uit te voeren zwaarder weegt dan het belang van verzoekster om in de woning te blijven. Daarom heeft de rechtbank het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen en verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.