In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 26 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot een gedwongen schuldregeling van verzoekster, mevrouw O.S.B. Karsters. Verzoekster heeft op 25 juli 2025 een verzoek ingediend om een schuldeiser, Zilveren Kruis Achmea, te bevelen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Deze regeling hield in dat verzoekster 64,27% van haar totale schuldenlast van € 1.741,10 zou aflossen. Zilveren Kruis, die een vordering van € 830,62 op verzoekster heeft, heeft echter geweigerd in te stemmen met de regeling, omdat zij volledige betaling van de vordering verlangt. Zilveren Kruis stelt dat verzoekster over voldoende afloscapaciteit beschikt om haar volledige schuldenlast binnen 36 maanden af te lossen en dat er alternatieven zoals herfinanciering niet zijn onderzocht.
Tijdens de zitting op 19 november 2025 is Zilveren Kruis niet verschenen, ondanks dat zij behoorlijk was opgeroepen. De rechtbank heeft vervolgens de belangen van Zilveren Kruis afgewogen tegen die van verzoekster. De rechtbank concludeert dat Zilveren Kruis in redelijkheid niet kon instemmen met de schuldregeling, gezien het feit dat de vordering van Zilveren Kruis een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast van verzoekster. De rechtbank oordeelt dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in staat is om een inkomen te genereren dat zou leiden tot een hogere afloscapaciteit. Daarom heeft de rechtbank het verzoek om Zilveren Kruis te bevelen in te stemmen met de schuldregeling afgewezen.