ECLI:NL:RBROT:2025:14763

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/2115 – FT RK 25/2116
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening in faillissementszaak met betrekking tot huurachterstand en schuldsaneringsregeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b van de Faillissementswet. Verzoeker, die te maken heeft met een huurachterstand door arbeidsongeschiktheid, heeft op 26 november 2025 een verzoekschrift ingediend om de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis van 24 september 2025 op te schorten. Tijdens de zitting op 2 december 2025 zijn verschillende partijen gehoord, waaronder schuldhulpverlening en vertegenwoordigers van de gemeente. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie, aangezien verzoeker geconfronteerd wordt met ontruiming. De rechtbank heeft de belangen van verzoeker, die zijn huur wil blijven betalen en zijn schulden wil saneren, zwaarder laten wegen dan die van de verweerster, die het vonnis van ontruiming wil uitvoeren. De rechtbank heeft de voorlopige voorziening toegewezen voor de duur van zes maanden, mits verzoeker zijn huurtermijnen tijdig blijft voldoen. Tevens is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan hij in de toekomst een nieuw verzoek indienen. De uitspraak benadrukt het belang van een adempauze voor schuldenaren in een dreigende executiesituatie.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 10 december 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 26 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 26 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 december 2025.
Ter zitting van 2 december 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw D. Rodrigues, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • [naam 1], werkzaam bij het Wijkteam Gemeente Rotterdam;
  • [naam 2], namens Stichting Woonstad Rotterdam.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
In het verzoekschrift wordt aangegeven dat de huurachterstand is ontstaan doordat verzoeker gedurende een periode arbeidsongeschikt is geweest, waardoor zijn inkomsten aanzienlijk waren verminderd. Inmiddels is verzoeker gestart met re-integreren, waardoor zijn inkomen weer is gestabiliseerd en toereikend is om de lopende vaste lasten, waaronder de huur, te voldoen. Daarnaast zal verzoeker worden aangesloten bij budgetbeheer, zodat zijn financiële situatie verder kan worden gestructureerd en toekomstige achterstanden kunnen worden voorkomen.
Ter zitting is door schuldhulpverlening naar voren gebracht dat er een arbeidsconflict met zijn werkgever is ontstaan waarvoor een sociaal raadsman is ingeschakeld. Het onderzoek loopt nog. Voor de zekerheid is een PW uitkering aangevraagd. De lopende huur van november en december zijn betaald. Er is een beroep gedaan op het Fonds Bijzondere Noden waardoor ook de huur van januari 2026 kan worden betaald.

3.Het verweer

Verweerster heeft ter zitting verklaard zich te zullen refereren aan het oordeel van de rechtbank, onder de voorwaarde dat verzoeker de lopende huurtermijnen stipt blijft voldoen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 september 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 14 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 27 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 24 september 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft de huur van november en december 2025 betaald. Momenteel is er een arbeidsconflict met zijn werkgever waardoor zijn arbeidsinkomsten onzeker zijn, maar de betaling van de huur is voldoende gewaarborgd doordat de schuldhulpverlener van verzoeker een PW-uitkering heeft aangevraagd voor het geval verzoeker zijn baan kwijtraakt. Daarnaast is voor de betaling van de huur in december 2025 en januari 2026 een aanvraag bij het Fonds Bijzondere Noden gedaan en deze is inmiddels toegekend en uitbetaald aan verzoeker.
Verweerster refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, waarbij zij heeft aangegeven dat de lopende huur tijdig betaald moet worden.
Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 24 september 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
26 november 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.