In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b van de Faillissementswet. Verzoeker, die te maken heeft met een huurachterstand door arbeidsongeschiktheid, heeft op 26 november 2025 een verzoekschrift ingediend om de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis van 24 september 2025 op te schorten. Tijdens de zitting op 2 december 2025 zijn verschillende partijen gehoord, waaronder schuldhulpverlening en vertegenwoordigers van de gemeente. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie, aangezien verzoeker geconfronteerd wordt met ontruiming. De rechtbank heeft de belangen van verzoeker, die zijn huur wil blijven betalen en zijn schulden wil saneren, zwaarder laten wegen dan die van de verweerster, die het vonnis van ontruiming wil uitvoeren. De rechtbank heeft de voorlopige voorziening toegewezen voor de duur van zes maanden, mits verzoeker zijn huurtermijnen tijdig blijft voldoen. Tevens is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar kan hij in de toekomst een nieuw verzoek indienen. De uitspraak benadrukt het belang van een adempauze voor schuldenaren in een dreigende executiesituatie.