Art. 94 SvArt. 94 lid 2 SvArt. 116 lid 1 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Opheffing beslag en teruggave deel van inbeslaggenomen geldbedrag na Spaans strafonderzoek
Op 27 februari 2012 werd een contant geldbedrag van €509.145 in de handbagage van klager op Schiphol Airport inbeslaggenomen op grond van artikel 94 SvPro. Naar aanleiding van een Europees bevriezingsbevel in Spanje werd op 18 februari 2016 beslag ter verbeurdverklaring gelegd op dit bedrag. In april 2023 deed de provinciale rechtbank van Alicante uitspraak in de strafzaken tegen klager en zijn broer, waarna Nederland werd verzocht het vonnis te executeren.
Klager verzocht aanvankelijk om teruggave van het gehele bedrag, maar wijzigde dit verzoek tot teruggave van €386.383, het inbeslaggenomen bedrag minus het bedrag dat nog verschuldigd is aan de Spaanse autoriteiten. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag voor dit bedrag.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek naar het klaagschrift summier van aard is en dat teruggave plaatsvindt indien het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. Gezien het standpunt van de officier van justitie verklaarde de rechtbank het klaagschrift gegrond en gelast teruggave van €386.383 aan klager.
De beslissing werd genomen door de meervoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam op 17 november 2025. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open voor het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening.
Uitkomst: De rechtbank gelast teruggave van €386.383 van het inbeslaggenomen geldbedrag aan klager.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
parketnummer/luris : 10-993015-12 / 2015036854
raadkamernummer : 25-013949
datum : 17 november 2025
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager], klager,
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats], [geboorteland],
feitelijk verblijvende op het adres:
[adres 1],
voor deze zaak domicilie kiezende te [adres 2],
ten kantore van zijn advocaat mr. A.M. Seebregts.
Procedure
Het klaagschrift is op 26 mei 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft het klaagschrift op 17 november 2025 in openbare raadkamer behandeld.
De klager, zijn advocaat en de officier van justitie mr. N.G.H. Verschaeren zijn ter zitting gehoord. De belanghebbende [naam] is, hoewel daartoe opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Feiten
Op 27 februari 2012 is in de handbagage van klager op Schiphol Airport een contant geldbedrag ter hoogte van € 509.145,- aangetroffen. Dit bedrag is op grond van artikel 94 SvPro inbeslaggenomen.
Door de Spaanse autoriteiten is op 30 juni 2015 een Europees bevriezingsbevel (hierna: EBB) uitgevaardigd vanwege een strafrechtelijk onderzoek naar klager in Spanje wegens belastingfraude (LURIS: 2015036854). Naar aanleiding van voornoemd EBB is op 18 februari 2016 op grond van artikel 94 lid 2 SvPro beslag ter verbeurdverklaring gelegd op het geldbedrag van € 509.145,-.
In april 2023 heeft de provinciale rechtbank van Alicante in Spanje uitspraak gedaan in de strafzaken van klager en zijn broer [naam]. Nadat het vonnis onherroepelijk is geworden, is Nederland verzocht om het vonnis te executeren.
Standpunt klager
Het beklag strekte aanvankelijk tot teruggave van het gehele inbeslaggenomen geldbedrag van € 509.145,-. Namens klager was daartoe aangevoerd dat volgens de beslissing van de provinciale rechtbank van Alicante op 7 april 2025 klager zich moest wenden tot de Nederlandse autoriteiten voor teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag.
Op 13 november 2025 is een schriftelijke aanvulling op het klaagschrift bij de rechtbank ingediend. De klager en zijn broer zijn in verband met de executie van de Spaanse strafzaken aan de Spaanse autoriteiten een totaalbedrag van € 598.585,50 verschuldigd. Onder klager is in Spanje beslag gelegd op een bedrag van € 475.823,50. Dit betekent dat nadat het bedrag dat in Spanje in beslag is genomen in mindering is gebracht op het totaalbedrag dat de klager en zijn broer verschuldigd zijn aan de Spaanse autoriteiten een bedrag van (€ 598.585,50 – € 475.823,50=) € 122.762,- resteert. Het standpunt van de klager is daarom in zoverre gewijzigd dat teruggave wordt verzocht van het bedrag dat in Nederland in beslag is genomen minus het bedrag dat door klager en zijn broer nog verschuldigd is aan de Spaanse autoriteiten, te weten (€ 509.145 – € 122.762 =) € 386.383,-.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het strafvorderlijk belang zich niet langer verzet tegen opheffing van het beslag. Zij verzet zich niet tegen de teruggave van € 386.383,- van het inbeslaggenomen geldbedrag aan de klager. Het CJIB is belast met de executie in Nederland naar aanleiding van de uitspraak in Spanje en is momenteel bezig met de beoordeling van de laatste stukken die door de Spaanse autoriteiten aan Nederland zijn verstrekt. Gelet op alle beschikbare stukken, is de officier van justitie het echter met de verdediging eens dat hooguit € 122.762,- van het inbeslaggenomen geldbedrag nog aan de Spaanse autoriteiten overgedragen moet worden. Het beslag dat op het restant van € 386.383,- rust kan daarom komen te vervallen. Dit bedrag kan terug naar de klager.
Beoordeling
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 SvPro gelegd beslag dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave in beginsel plaats aan de beslagene. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 SvPro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.
Ingevolge artikel 116, eerste lid, Sv doet het OM de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het belang van strafvordering zich niet tegen een opheffing van het beslag over het bedrag van € 386.383,- verzet. Gelet op dit standpunt wordt het beklag gegrond verklaard.
Beslissing
De rechtbank
verklaart het beklag gegrond;
gelast de teruggave aan de klager van € 386.383,=.
Deze beslissing is gegeven door de meervoudige raadkamer,
mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,
mrs. J.C. Tijink en B. Vaz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.D. Schmahl, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.