De veroordeelde heeft bij arrest van het gerechtshof Den Haag een ontnemingsmaatregel opgelegd gekregen van €1.000.000,-, onherroepelijk verklaard na afwijzing cassatie. Tot 11 oktober 2025 heeft hij €60.159,- betaald en er is nog een restbedrag van €864.556,49 openstaand. De veroordeelde verzocht de rechtbank om kwijtschelding of vermindering van dit bedrag op grond van zijn vermeende betalingsonmacht, onder meer vanwege gezondheidsproblemen en het naderen van zijn pensioen.
De rechtbank oordeelt dat de veroordeelde onvoldoende heeft aangetoond dat hij nu en in de toekomst niet in staat is om de betalingsverplichting na te komen. Hij werkt en heeft inkomen, en heeft ondanks het wegvallen van overuren zijn betalingsverplichtingen voldaan. Ook is er beslag gelegd op kavels op Curaçao die op naam van zijn echtgenote staan, maar die vermoedelijk aan hem toebehoren en nog kunnen worden uitgewonnen.
De officier van justitie betoogde dat het verzoek moet worden afgewezen omdat er geen sprake is van betalingsonmacht en het beslag op de kavels nog kan worden uitgevoerd. De rechtbank volgt dit standpunt en wijst het verzoek af. De beslissing is genomen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam op 1 december 2025.