ECLI:NL:RBROT:2025:14796

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
C/10/707215 / JE RK 25-1968
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in het kader van jeugdbescherming

Op 11 november 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de kinderen, geboren in 2017 en 2013, momenteel in een pleeggezin verblijven en dat er zorgen zijn over hun welzijn en ontwikkeling. De moeder, die belast is met het ouderlijk gezag, heeft psychische problemen en heeft in het verleden een opname gehad. De kinderrechter heeft de procedure gevoerd met gesloten deuren, waarbij de ouders en vertegenwoordigers van de GI aanwezig waren. De GI heeft verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar, wat door de kinderrechter is toegewezen. De kinderrechter heeft benadrukt dat het van belang is dat de kinderen professionele hulpverlening ontvangen en dat er aandacht is voor contactherstel tussen de ouders en de kinderen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/707215 / JE RK 25-1968
Datum uitspraak: 11 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 23 september 2025, ontvangen op 24 september 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de vader;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 28 november 2024 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 28 november 2025.
2.4.
Bij beschikking van 20 mei 2025 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 28 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] verblijven momenteel in een stabiel pleeggezin, waar het overwegend goed met hen gaat. Er bestaan nog wel zorgen om het welzijn en de ontwikkeling van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] . [voornaam minderjarige 2] wil graag de controle houden en uit dit vooral richting [voornaam minderjarige 1] . [voornaam minderjarige 1] sluit zich af en vindt het moeilijk om zich te uiten. Ook bestaan er zorgen om het contact tussen de moeder, de vader en de GI en om het contact tussen de moeder, de vader, [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] . Het contact tussen de moeder en de GI is in de zomer gestagneerd. De moeder was een aantal maanden niet bereikbaar en bleek haar medicatie niet in te nemen. De moeder is destijds middels een zorgmachtiging opgenomen bij Antes, maar woont inmiddels weer thuis. Zij krijgt sindsdien via Antes medicatie toegediend en er is ambulante hulpverlening bij de moeder betrokken. Via deze hulpverlening is het contact tussen de moeder en de GI weer voorzichtig op gang gekomen. Ook het contact tussen de vader en de GI is in de zomer gestagneerd, maar inmiddels is via spraakberichten op Whatsapp weer wat contact. Het laatste (fysieke) contactmoment tussen de moeder, de vader [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] heeft afgelopen zomer plaatsgevonden, maar dit is niet goed verlopen. [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] moesten hier langere tijd van bijkomen en vertoonden zorgelijk gedrag zoals bedplassen ( [voornaam minderjarige 2] ) en overmatig eten ( [voornaam minderjarige 1] ). Het contact tussen de moeder, de vader [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] heeft daarom niet meer plaatsgevonden. [voornaam minderjarige 1] heeft wel aangegeven dat hij graag met de vader wil bellen. De GI is bezig om dit te regelen. Voordat het contact tussen de ouders, [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] verder kan worden hersteld, is het van belang dat voor de kinderen passende hulpverlening vanuit Enver worden ingezet, gericht op diagnostiek en behandeling. Voor [voornaam minderjarige 2] kan deze hulpverlening al starten, maar de moeder heeft hier tot op heden geen toestemming voor verleend. Voor [voornaam minderjarige 1] geldt voor de inzet van hulpverlening nog een wachtlijst. Gelet op de bestaande zorgen is het van belang dat de GI de aankomende periode betrokken blijft en dat het verblijf van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] in het pleeggezin wordt gecontinueerd.
De GI heeft de zorgen van de ouders over het huidige pleeggezin gehoord. De GI deelt deze zorgen niet, maar zal de aankomende periode onderzoeken hoe de zorgen van de ouders over de kinderen kunnen verminderen. De GI hoopt dat de ouders de aankomende periode met de GI in contact blijven, dat zij zelf behandeling zullen volgen en dat de moeder voor de diagnostiek en behandeling van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] de benodigde toestemming verleent.
4.2.
De moeder stemt tijdens de mondelinge behandeling niet in met het verzoek van de GI. De moeder wil het liefst dat [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] weer bij haar komen wonen. De moeder maakt zich zorgen om [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] . Ze heeft [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] al lang niet in het echt gezien en heeft de indruk dat ze in het pleeggezin niet goed worden verzorgd. Zo lijken ze op de foto’s erg dun te zijn geworden, met name [voornaam minderjarige 1] , en ziet hun kleding er onverzorgd uit. In de stukken van de GI staat verkeerde informatie over de moeder. Het klopt dat de moeder bij Antes was opgenomen, maar zijn woont inmiddels weer thuis. Zij krijgt medicatie toegediend middels een depot zodat zij dit niet kan vergeten. De moeder acht zichzelf weer in staat om voor de kinderen te zorgen. De moeder begrijpt dat [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] behandeling en diagnostiek nodig hebben, en de moeder wil daar ook haar toestemming voor verlenen, maar dit kan ook worden ingezet bij de moeder thuis.
4.3.
De vader sluit zich aan bij dat wat de moeder naar voren heeft gebracht. Daarbij loopt het contact met de GI volgens de vader stroef. De jeugdbeschermers nemen niet op als de vader belt en zij bellen de vader niet terug. Het is beter als de kinderen weer bij de moeder gaan wonen.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De moeder kampt met psychische problematiek waardoor de kinderen een onvoorspelbare en onveilige thuissituatie hebben gekend. De kinderen verblijven daarom sinds december 2024 in het huidige pleeggezin. Zij ontwikkelen zich daar overwegend positief. De kinderen vertonen signalen van onderliggende (trauma)problematiek. Zo laat [voornaam minderjarige 2] controlerend gedrag zien en [voornaam minderjarige 1] vermijdend gedrag. Het is belangrijk dat de kinderen daarvoor professionele hulpverlening kunnen ontvangen in de vorm van diagnostiek en behandeling, en dat de moeder daar, als gezaghebbende ouder, haar toestemming voor geeft en achter de hulpverlening kan staan.
5.2.
De moeder is de afgelopen periode opgenomen geweest bij Antes en krijgt nu depotmedicatie. Zij is nog hard aan zichzelf aan het werk. Zij is bijna jarig en heeft ter zitting gezegd dat zij dan graag met de kinderen naar Disney zou willen. Die wens is zeer invoelbaar. Tegelijkertijd is het nu zo dat er al enkele maanden geen contact is tussen de ouders en de kinderen. Dat zal eerst moeten worden hersteld. De kinderrechter acht het van groot belang dat de komende periode er blijvend aandacht is voor contactherstel. Het is in beginsel voor kinderen belangrijk om op structurele basis en op een fijne manier contact te kunnen hebben met beide ouders. De ouders en de GI moeten met elkaar goed bespreken en afspraken maken over wat daar voor nodig is. De GI heeft al aangegeven dat het starten van de hulpverlening van de kinderen daarvoor belangrijk is. Voor [voornaam minderjarige 2] staat de hulpverlening klaar en dat kan met een akkoord van de moeder dus snel beginnen.
Ook kunnen de ouders en de jeugdbeschermers bespreken welke vormen van contact mogelijk wel al zouden kunnen, bijvoorbeeld het sturen van een kaartje of telefonisch contact. Het belang van de kinderen is hierin leidend.
5.3.
De ouders maken zich zorgen om het gewicht en de verzorging van de kinderen. Het is belangrijk dat deze zorgen serieus worden genomen en dat de ouders, juist nu er geen contact tussen hen en de kinderen is, goed op de hoogte worden gehouden van hoe het met de kinderen gaat. Daarnaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat de GI en de ouders zich blijven inzetten voor een goede samenwerking met elkaar. Het contact tussen de ouders en de GI is een aantal maanden gestagneerd geweest, maar lijkt inmiddels voorzichtig herstellende. Om zo spoedig mogelijk hulpverlening in te kunnen zetten en te kunnen werken aan contactherstel is het belangrijk dat er goed contact is tussen de GI en de ouders. Een goede samenwerking zorgt ervoor dat de stappen die in het belang van de kinderen moeten worden gezet, sneller kunnen worden gezet. Daarvoor is nodig dat de ouders bereikbaar zijn voor de GI en bijvoorbeeld ook de GI ervan op de hoogte brengen dat de moeder bij Antes verblijft, zodat de GI weet waar de moeder verblijft en de moeder mogelijk minder goed bereikbaar is. Voor de ouders is het belangrijk dat de GI bereikbaar is en hen op de hoogte houdt over de kinderen, en dat de GI bij de manier van communiceren zoveel als mogelijk rekening houdt met de wensen en mogelijkheden van de ouders.
5.4.
De kinderen wonen nu al enige tijd niet meer thuis en het is voor alle betrokkenen belangrijk dat er op een gegeven moment duidelijkheid komt over waar de kinderen zullen opgroeien. Ook dit zal het komende jaar een belangrijk onderwerp zijn. Gelet op de vroegere en huidige thuissituatie bij de moeder en waar de komende periode nog aan gewerkt zal moeten worden, met name de inzet van de hulpverlening en het contactherstel, zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen. Pas wanneer het contact tussen de ouders en de kinderen is hersteld en verdere positieve stappen zijn gezet, kan worden bekeken of en op welke manier de kinderen weer bij de moeder kunnen wonen. De betrokkenheid van de GI en het verblijf van de kinderen in het pleeggezin dienen daarom het aankomende jaar te worden gecontinueerd.
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter zal de maatregelen daarom verlengen voor de duur van een jaar.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 28 november 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 28 november 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025 door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 24 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.