De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt om een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van twaalf maanden, nadat eerdere maatregelen in 2023 niet succesvol bleken. De minderjarige verblijft momenteel in een gezinshuis waar hij zich positief ontwikkelt, maar de ouders kunnen nog niet zelfstandig voor hem zorgen.
Tijdens de zitting, waarbij een beëdigde tolk aanwezig was vanwege taalbarrières, stemmen alle betrokkenen in met de continuering van het verblijf in het gezinshuis en de inzet van hulpverlening. De ouders wensen een terugplaatsing op termijn en uitbreiding van omgangsmomenten. De gezinshuismoeder bevestigt de noodzaak van passende hulpverlening.
De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. Gezien de administratieve fout waardoor de eerdere maatregelen in maart 2025 vervielen, is een nieuwe beschikking noodzakelijk om het welzijn van de minderjarige te waarborgen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt.