In deze zaak heeft de Vereniging Van Eigenaars (VvE) een rechtszaak aangespannen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om hen te veroordelen tot betaling van een achterstallige VvE-bijdrage. De VvE vorderde een totaalbedrag van € 404,12, bestaande uit de VvE-bijdrage tot en met augustus 2025, kosten van kadastrale recherche, rente en buitengerechtelijke incassokosten. De gedaagden hebben de eis betwist, maar hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te reageren op de repliek van de VvE.
De kantonrechter heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen. Het gevorderde bedrag van € 404,12 werd toegewezen, inclusief de wettelijke rente over een deel van het bedrag. De kantonrechter heeft ook bepaald dat de gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van de VvE-bijdrage van € 174,17 per maand, te betalen vanaf september 2025 tot het einde van het boekjaar. De proceskosten zijn begroot op € 632,29, die ook door de gedaagden moeten worden betaald. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de VvE het vonnis onmiddellijk kan uitvoeren, zelfs als de gedaagden in hoger beroep gaan.
De beslissing van de kantonrechter is gebaseerd op de feiten dat de VvE de achterstand aan VvE-bijdrage heeft onderbouwd en dat de gedaagden deze niet hebben betwist. De kantonrechter heeft ook de incassokosten toegewezen, omdat aan de voorwaarden voor vergoeding is voldaan. Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.