ECLI:NL:RBROT:2025:14818

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
11893035 CV EXPL 25-20259
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot betaling van achterstallige en lopende huur door de kantonrechter in een huurgeschil

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 5 december 2025 uitspraak gedaan in een huurgeschil tussen Stichting Woonstad Rotterdam en twee gedaagden, die zelf procederen. De eiseres, Woonstad, heeft de gedaagden aangeklaagd wegens een huurachterstand van € 6.740,06. De gedaagden hebben erkend dat er een huurachterstand is en hebben betalingen gedaan, waardoor de achterstand deels is ingelopen. Na een eisvermindering heeft Woonstad de kantonrechter verzocht om de gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 3.226,41 aan achterstallige huur, € 270,19 aan vervallen rente, de wettelijke rente over het oorspronkelijke bedrag van de huurachterstand, en een maandelijkse huur van € 1.186,68 vanaf december 2025.

De kantonrechter heeft de vordering van Woonstad grotendeels toegewezen, aangezien de huurachterstand erkend was en de gevorderde rente niet betwist werd. De kantonrechter heeft ook bepaald dat de gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling, wat betekent dat ieder van hen voor het geheel kan worden aangesproken. De proceskosten zijn begroot op € 1.502,43, die ook voor rekening van de gedaagden komen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat inhoudt dat Woonstad het vonnis onmiddellijk kan uitvoeren, zelfs als de gedaagden in hoger beroep gaan.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11893035 CV EXPL 25-20259
datum uitspraak: 5 december 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen

1..[gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
die zelf procederen.
De partijen worden hierna ‘Woonstad’ en ‘ [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 5 september 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de mail van 1 oktober 2025 en de akte van 29 oktober 2025 met bijlage, beiden met een vermindering van eis.

2.De beoordeling

Waar gaat het om?
2.1.
Woonstad verhuurt aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning aan de [adres] te Rotterdam. Er is een huurachterstand ontstaan, die ten tijde van de dagvaarding
€ 6.740,06 bedroeg. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dit erkend en betalingen gedaan waardoor de huurachterstand deels is ingelopen.
2.2.
Woonstad eist nu, zo de kantonrechter begrijpt na de eisvermindering, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:
€ 3.226,41 aan achterstallige huur tot en met de maand november 2025;
€ 270,19 aan vervallen rente tot aan de dagvaarding;
de wettelijke rente over € 6.740,06 aan achterstallige huur ten tijde van de dagvaarding;
€ 1.186,68 per maand aan (te verhogen) huur vanaf de maand december 2025;
de proceskosten.
Wat vindt de kantonrechter hiervan
Toewijzing achterstallige huur, met rente, en de toekomstige huur
2.3.
De geëiste veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 3.226,41 aan achterstallige huur tot en met de maand november 2025 wordt toegewezen, want de huurachterstand is erkend. Misschien hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] inmiddels meer betalingen gedaan om de achterstand in te lopen. Als dat zo is, dan komen die in mindering van de achterstand.
2.4.
De geëiste rente wordt ook toegewezen, want is niet betwist. Het gaat om
€ 270,19 aan vervallen rente tot aan de dagvaarding en de wettelijke rente over € 6.740,06 aan achterstallige huur ten tijde van de dagvaarding.
2.5.
De geëiste veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 1.186,68 per maand aan huur vanaf de maand november 2025 wordt eveneens toegewezen. Als Woonstad dat wil kan de huurprijs jaarlijks worden verhoogd, want de mogelijkheid daartoe zijn partijen overeengekomen.
Betalingsregeling?
2.6.
De kantonrechter kan geen betalingsregeling vaststellen in dit vonnis. Daarvoor moet Woonstad namelijk toestemming geven en dat heeft zij niet gedaan [1] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kunnen wel contact opnemen met de gemachtigde van Woonstad om te vragen of Woonstad alsnog een betalingsregeling wil afspreken.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de proceskosten betalen
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , omdat zij ongelijk krijgen [2] . De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan Woonstad moeten betalen op € 146,43 aan dagvaardingskosten, € 543,- aan griffierecht,
€ 678,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.502,43. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Hoofdelijke veroordeling
2.8.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hoofdelijk veroordeeld. Dat betekent dat ieder van hen voor het geheel kan worden aangesproken, zij het in totaal niet voor meer dan genoemde bedragen. Als de één betaalt, is de ander bevrijd, met de mogelijkheid van verhaal op de medeschuldenaar.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad [3] verklaard, omdat Woonstad dat eist en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat als de één betaalt de ander is bevrijd, om aan Woonstad te betalen:
  • € 3.226,41 aan achterstallige huur tot en met de maand november 2025;
  • € 270,19 aan vervallen rente tot aan de dagvaarding;
  • de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 6.740,06 vanaf 5 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
  • € 1.186,68 per maand aan (te verhogen) huur vanaf de maand december 2025;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat als de één betaalt de ander is bevrijd, in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad worden begroot op € 1.502,43;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Artikel 6:29 BW
2.Artikel 237 Rv
3.Artikel 233 Rv