In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 5 december 2025 uitspraak gedaan in een huurgeschil tussen Stichting Woonstad Rotterdam en twee gedaagden, die zelf procederen. De eiseres, Woonstad, heeft de gedaagden aangeklaagd wegens een huurachterstand van € 6.740,06. De gedaagden hebben erkend dat er een huurachterstand is en hebben betalingen gedaan, waardoor de achterstand deels is ingelopen. Na een eisvermindering heeft Woonstad de kantonrechter verzocht om de gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 3.226,41 aan achterstallige huur, € 270,19 aan vervallen rente, de wettelijke rente over het oorspronkelijke bedrag van de huurachterstand, en een maandelijkse huur van € 1.186,68 vanaf december 2025.
De kantonrechter heeft de vordering van Woonstad grotendeels toegewezen, aangezien de huurachterstand erkend was en de gevorderde rente niet betwist werd. De kantonrechter heeft ook bepaald dat de gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling, wat betekent dat ieder van hen voor het geheel kan worden aangesproken. De proceskosten zijn begroot op € 1.502,43, die ook voor rekening van de gedaagden komen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat inhoudt dat Woonstad het vonnis onmiddellijk kan uitvoeren, zelfs als de gedaagden in hoger beroep gaan.