ECLI:NL:RBROT:2025:14827

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11634045 CV EXPL 25-8783
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst afgewezen na aantreffen van lachgas cilinders

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen Stichting Woonstad Rotterdam en een huurder, aangeduid als [gedaagde]. De huurder huurt sinds 2016 een woning van Woonstad en in de algemene voorwaarden van de huurovereenkomst is bepaald dat het verboden is gevaarlijke stoffen op te slaan. Op 9 december 2024 heeft de politie 162 cilinders lachgas aangetroffen in de berging van de woning van de huurder. Woonstad vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, maar de kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. De kantonrechter overwoog dat, hoewel de huurder tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst, de omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat de burgemeester de woning niet heeft gesloten en de huurder inmiddels hulp heeft gezocht, meebrachten dat ontbinding niet gerechtvaardigd was. De kantonrechter heeft Woonstad veroordeeld in de proceskosten van de huurder, die zijn vastgesteld op € 677,00. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de proceskostenveroordeling direct kan worden afgedwongen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11634045 CV EXPL 25-8783
datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. R. van der Hoeff,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. Kattestaart.
De partijen worden hierna ‘Woonstad’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 28 maart 2025, met bijlagen;
  • het antwoord van 11 juni 2025, met bijlagen.
1.2.
Op 25 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Partijen en hun gemachtigden zijn verschenen, namens Woonstad [persoon A] .

2.Het geschil

2.1.
[gedaagde] huurt sinds 2016 van Woonstad de woning aan de [adres] in Rotterdam.
2.2.
In de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de huurovereenkomst is in artikel 6.4. opgenomen:
Huurder zal het gehuurde en de gemeenschappelijke ruimten in overeenstemming met de daaraan door verhuurder gegeven bestemming gebruiken. Het is huurder niet toegestaan in/nabij het gehuurde en/of de gemeenschappelijke ruimten:
• gevaarlijke stoffen op te slaan;
• hennep of soortgelijke gewassen te telen, XTC te produceren, verdovende middelen te hebben en/of daarin te (laten) handelen en/of andere op basis van de Opiumwet strafbare gedragingen te plegen;
• een bordeel te exploiteren;
• een winkelnering, bedrijf of ambacht uit te oefenen. Voor thuiswerken dient huurder schriftelijk toestemming aan verhuurder te vragen;
• paarden en/of ander vee en/of andere dieren te houden die overlast kunnen veroorzaken;
• caravans te stallen en/of andere roerende zaken op te slaan in de privétuin, op het erf of de parkeerplaats die tot het gehuurde behoren;
• andere (al dan niet strafbare) handelingen te verrichten die het woonklimaat in en nabij het gehuurde schade (kunnen) toebrengen.
2.3.
De politie trof op 9 december 2024 162 cilinders lachgas aan in de berging van de woning van [gedaagde] . Woonstad stelt dat [gedaagde] hiermee in strijd met de algemene voorwaarden heeft gehandeld en ook zijn verplichting zich als goed huurder te gedragen niet is nagekomen. Woonstad vordert daarom ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, met € 462,50 aan incassokosten en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
2.4.
[gedaagde] voert verweer. Hij erkent dat de korte aanwezigheid van 162 cilinders lachgas in strijd is met de verplichtingen die hij op grond van de huurovereenkomst heeft. Ontbinding van de huurovereenkomst is gelet op de omstandigheden echter een te vergaande maatregel, aldus [gedaagde] . Als de vordering niet meteen afgewezen wordt, vraagt [gedaagde] om de zaak 9-12 maanden aan te houden zodat hij in het kader van een laatste kans kan laten zien dat ‘het tij gekeerd is’.
2.5.
Als dit voor de beoordeling van belang is, wordt hierna ingegaan op de verdere onderbouwing van de standpunten van partijen.

3.De beoordeling

3.1.
[gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Dit erkent hij zelf ook. De aanwezigheid van 162 cilinders lachgas is strafbaar, [gedaagde] is ook veroordeeld tot een taakstraf voor het bezit ervan, en Woonstad stelt terecht dat het opslaan van lachgascilinders ook gevaarlijk is. Als alleen naar de aanwezigheid van 162 cilinders lachgas gekeken wordt, is er aanleiding de huurovereenkomst zoals Woonstad vordert te ontbinden.
3.2.
De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomst echter niet. De overige omstandigheden van het geval leiden tot afwijzing van die vordering. In de eerste plaats is van belang dat de burgemeester heeft besloten, ondanks de bestuurlijke rapportage van de politie, de woning van [gedaagde] níet te sluiten. Een motivering van die beslissing ontbreekt weliswaar, maar de burgemeester zal hierbij rekening hebben gehouden met de eventuele veiligheidsrisico’s voor de omgeving en heeft [gedaagde] een tweede kans gegeven. Dat de aanwezigheid van lachgas in dit specifieke geval criminaliteit heeft aangetrokken blijkt ook onvoldoende. Uit de door [gedaagde] overgelegde verklaringen van buren blijkt verder niet van enig onveilig gevoel wat [gedaagde] betreft. [gedaagde] verklaarde op de zitting dat in ieder geval zijn naaste buren er bij het geven van hun verklaring van op de hoogte waren dat lachgas is aangetroffen in de berging van [gedaagde] . Het incident is inmiddels een jaar geleden. Het lijkt te gaan om een eenmalig incident. [gedaagde] heeft inmiddels hulp van een psycholoog en een ambulant begeleidster die aanwezig waren op de zitting, hij is gestopt met het gebruik van middelen en heeft schuldhulpverlening. De reclassering dringt er daarnaast op aan de huurovereenkomst níet te ontbinden, omdat behoud van de woning belangrijk is om herhaling van strafbare feiten te voorkomen. Daarbij komt dat dakloosheid ook in verband met de lichamelijke en psychische beperkingen van [gedaagde] grote gevolgen zal hebben. Al deze omstandigheden bij elkaar leiden de kantonrechter tot het oordeel dat ontbinding in dit geval niet gerechtvaardigd is.
3.3.
De vordering van Woonstad tot ontbinding en ontruiming wordt dus afgewezen. Het verzoek van [gedaagde] de zaak aan te houden hoeft daarom niet te worden besproken. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] beseft, en hij gaf er op de zitting blijk van, dat hij voor het behoud van zijn woning door het oog van de naald is gekropen.
3.4.
Alleen al gelet op de afwijzing van de hoofdvordering heeft Woonstad geen recht op vergoeding van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Er wordt daarom niet nader ingegaan op de ambtshalve toetsing van de relevante bedingen.
3.5.
Woonstad krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten bestaan aan de kant van [gedaagde] uit € 542,00 aan salaris voor zijn gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. Dit is bij elkaar € 677,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis door een deurwaarder uitgereikt moet worden.
3.6.
Dit vonnis wordt wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat als deze zaak aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van de uitspraak van die hogere rechter afgedwongen kan worden dat aan de proceskostenveroordeling in dit vonnis wordt voldaan.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de vordering van Woonstad af;
4.2.
veroordeelt Woonstad in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] begroot op een bedrag van € 677,00;
4.3.
verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
686