In deze zaak tussen een makelaarskantoor en een cliënt staat een executiegeschil centraal over het afgeven van een taxatierapport. De cliënt had een woning laten taxeren, maar er ontstond een geschil over het rapport. In een kort geding werd geoordeeld dat het makelaarskantoor het rapport niet hoefde af te geven omdat de opdracht was beëindigd. In een gewone procedure werd echter bij verstekvonnis bepaald dat het makelaarskantoor het rapport moest afgeven en dwangsommen moest betalen bij niet-nakoming. Het makelaarskantoor kwam hiertegen in verzet, waardoor de gewone procedure werd heropend.
Het makelaarskantoor verzocht in kort geding om schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis zolang het verzet nog loopt. De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt is dat een verstekvonnis uitvoerbaar is, ook tijdens een verzetprocedure, tenzij zwaarwegende belangen dat verhinderen. De argumenten van het makelaarskantoor dat het afgeven van het rapport zou leiden tot schending van beroepsregels en onherstelbare schade werden niet gevolgd. Ook werd geoordeeld dat het verstekvonnis niet noodzakelijk leidt tot feitelijke afgifte van het rapport, maar slechts tot dwangsommen die als prikkel dienen.
De rechtbank oordeelde verder dat het verschil in uitspraken tussen kort geding en gewone procedure en het feit dat het verzet nog loopt, geen reden is om de tenuitvoerlegging te schorsen. Er was geen sprake van misbruik van executiebevoegdheid of een kennelijke misslag in het verstekvonnis. Tevens werd de eis van de cliënt tot betaling van €20.000 aan dwangsommen afgewezen wegens gebrek aan belang, aangezien het verstekvonnis al een executoriale titel vormt. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening toegedeeld.