9.1.De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd. Uit de matrix blijkt dat de waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De vergelijkingsobjecten ( [adres 2] in Streefkerk, [adres 3] in Nieuwpoort en [adres 4] in Groot-Ammers) zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals woonoppervlakte, voorzieningen, uitstraling en doelmatigheid voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Met behulp van de matrix heeft de heffingsambtenaar inzichtelijk gemaakt hoe rekening is gehouden met de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten.
10. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De heffingsambtenaar heeft de voorzieningen, de kwaliteit en de onderhoudstoestand van de woning als gemiddeld (score 3) gekwalificeerd. Uit de matrix blijkt dat de heffingsambtenaar een correctie heeft toegepast voor het bouwjaar van de woning. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat op de gerealiseerde vierkantemeterprijzen van de vergelijkingsobjecten een correctie (van 22-26%) heeft plaatsgevonden in verband met het verschil in bouwjaar. Voor de waardering van de
koudv-factoren wordt dan wel ten aanzien van de woning uitgegaan van een gemiddelde staat van onderhoud voor woningen uit 1900. Daarvan uitgaande ziet de heffingsambtenaar geen reden om lager te scoren dan gemiddeld. De rechtbank volgt het standpunt van de heffingsambtenaar hierin.
Eiser heeft weliswaar foto’s overgelegd waaruit mogelijk scheurvorming blijkt, maar daaruit volgt niet dat sprake is van een dusdanig slecht onderhoudsniveau dat er een grotere correctie had moeten plaatsvinden. De heffingsambtenaar heeft daarbij opgemerkt dat scheurvorming bij woningen uit 1900 vaker voorkomt. Voor wat betreft het duurzaamheidsniveau van de woning heeft de heffingsambtenaar er terecht op gewezen dat geen sprake is van een groot verschil nu de woning energielabel B heeft terwijl de vergelijkingsobjecten beschikken over energielabel A (volgens de Atlas Leefomgeving). Niet aannemelijk is dat dit relatief kleine verschil een waardedrukkend effect heeft. Ten aanzien van de voorzieningen geldt tot slot dat eiser op geen enkele manier aannemelijk maakt dat deze onder gemiddeld moeten worden gewaardeerd.
11. Eiser stelt dat bij de waardering van de woning te weinig rekening is gehouden met de ligging ten opzichte van de vergelijkingsobjecten en dat onvoldoende inzicht is gegeven in die ligging. De rechtbank volgt deze stelling niet. Uit de overgelegde matrix blijkt op welke etages de vergelijkingsobjecten zijn gelegen. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar bovendien toegelicht dat deze informatie openbaar beschikbaar is. De vergelijkingsobjecten [adres 2] en [adres 4] bevinden zich op de eerste woonlaag en [adres 3] is op de begane grond gelegen. Nu de etages en de ligging van de vergelijkingsobjecten niet wezenlijk afwijken van die van de woning van eiser, heeft de heffingsambtenaar geen correctie hoeven toepassen voor de ligging.
12. De rechtbank wijst er ten overvloede op dat voor de woning in de matrix een lagere vierkante meterprijs is gehanteerd dan die van de vergelijkingsobjecten. Dit levert een marge op van € 13.603,-. Voor zover er nog verschillen zijn tussen de vergelijkingsobjecten en de woning kunnen die worden geacht te zijn verdisconteerd in het verschil van € 13.603,- tussen de vierkante meterprijs van de woning en de gemiddelde gecorrigeerde vierkante meterprijs van de vergelijkingsobjecten.
13. Tijdens de zitting heeft eiser verwezen naar diverse nieuwe gegevens over de vergelijkingsobjecten, waaronder energielabels, de aanwezigheid van een parkeerplaats en een verkoop in het publieke domein, alsmede gesproken over een verkoopakte van de woning waarin volgens hem is vermeld dat bij het appartementsrecht geen grond behoort. Deze informatie is pas ter zitting naar voren gebracht, waardoor de heffingsambtenaar hiervan niet vooraf kennis heeft kunnen nemen. De heffingsambtenaar heeft ter zitting ook aangegeven hier niet adequaat op te kunnen reageren omdat hij hier niet op was voorbereid. De rechtbank overweegt dat van de heffingsambtenaar niet kan worden verwacht dat hij tijdens de zitting adequaat op deze nieuwe informatie reageert. De rechtbank laat deze informatie daarom buiten beschouwing, nu behandeling daarvan in strijd zou zijn met een goede procesorde.
Ten overvloede overweegt de rechtbank wel dat, zelfs indien de stelling van eiser juist zou zijn dat de grond bij de woning (€ 12.000,- voor 60 m2) ten onrechte is meegenomen, dit niet direct betekent dat de heffingsambtenaar de waarde te hoog heeft vastgesteld. Uit de overgelegde matrix blijkt immers dat de waarde in het economisch verkeer van de woning
€ 180.000,- bedraagt, terwijl de vastgestelde WOZ-waarde € 168.000,- is.