ECLI:NL:RBROT:2025:14851

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
C/10/708625 / FA RK 25-7940
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van het ouderlijk gezag over minderjarigen na ernstige ontwikkelingsbedreiging

In deze beschikking van de Rechtbank Rotterdam, uitgesproken op 8 december 2025, is het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om het ouderlijk gezag van de moeder over haar twee minderjarige kinderen te beëindigen, toegewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de moeder, door haar persoonlijke problematiek, niet in staat is om de zorg en opvoeding van haar kinderen op een verantwoorde manier te dragen. De kinderen, geboren in 2015 en 2020, zijn sinds november 2023 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De moeder heeft gedurende lange tijd geen contact met de kinderen gehad en heeft zich negatief uitgelaten over de vader, wat schadelijk is voor de kinderen. De rechtbank oordeelt dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig bedreigd wordt en dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding te dragen. De rechtbank benadrukt dat de belangen van de kinderen voorop staan en dat een gezagsbeëindiging noodzakelijk is om hun welzijn te waarborgen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De vader zal voortaan alleen het gezag over de kinderen uitoefenen, terwijl de moeder verplicht is om verantwoording af te leggen over het vermogen van de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/708625 / FA RK 25-7940
Datum uitspraak: 8 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. G.H. Amstelveen uit Capelle aan den IJssel,
[naam vader],
wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen de vader,
[naam pleegmoeder],
wonende in Hellevoetsluis, hierna te noemen de pleegmoeder van [voornaam minderjarige 2] ,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 17 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [persoon B] .
1.3.
De moeder en de pleegmoeder van [voornaam minderjarige 2] zijn, hoewel daartoe juist opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
In de zomer van 2023 zijn de vader en de moeder uit elkaar gegaan. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bleven daarna bij de moeder.
2.3.
Op 17 november 2023 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] door de kinderrechter in deze rechtbank voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Tegelijkertijd zijn zij, met een door de kinderrechter verleende machtiging, uit huis geplaatst.
2.4.
Daarna is een reguliere ondertoezichtstelling uitgesproken. Deze ondertoezichtstelling is verlengd en loopt nu tot 2 februari 2026.
2.5.
De machtigingen om [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] uit huis te plaatsen zijn ook steeds verlengd en gelden ook tot 2 februari 2026.
2.6.
[voornaam minderjarige 1] is bij de vader geplaatst. [voornaam minderjarige 2] is in een gezinshuis geplaatst.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te beëindigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en – samengevat – als volgt toegelicht. Door de persoonlijke problematiek van de moeder konden [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet langer bij de moeder wonen. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zijn twee jongens die meer sturing en begeleiding nodig hebben dan gemiddeld. Nadat [voornaam minderjarige 1] bij de vader is gaan wonen en [voornaam minderjarige 2] in een gezinshuis, is er lange tijd geen contact tussen de moeder en de kinderen geweest. De moeder heeft zich zeer negatief over de vader uitgelaten tegen de kinderen en ziet niet in wat dat met de kinderen doet. Inmiddels heeft de moeder nu sinds mei 2024 geen contact meer met de kinderen. De samenwerking tussen de moeder en de GI verloopt zeer stroef. De moeder weigert om toestemming te geven voor belangrijke zaken, zoals het aanvragen van ID-kaarten en voor de vakantie van de vader met de kinderen. Ook uit zij zich agressief naar de jeugdbeschermer. De moeder heeft eerder aangegeven geen contact met de kinderen meer te willen en geen gezag meer over hen te wensen, maar inmiddels heeft zij de wens geuit om het contact weer op te bouwen. Zij geeft zelfs aan dat zij wil dat de kinderen weer bij haar komen wonen. Dat acht de Raad niet in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . Bovendien zijn deze uitspraken van de moeder belastend voor de kinderen. De Raad erkent het belang van een goede band tussen de moeder en de kinderen en hoopt dat een gezagsbeëindiging bijdraagt aan het creëren van rust bij de moeder om een goed contact met de kinderen aan te gaan. Bij beëindiging van het gezag van de moeder acht de Raad voortzetting van de ondertoezichtstelling noodzakelijk, om het contact tussen de kinderen en de moeder vorm te geven en om de vader te ondersteunen in wat hij nodig heeft voor de toekomst in het contact met de moeder.

4.De standpunten

4.1.
De GI steunt het verzoek van de Raad. Voor de moeder is het erg lastig om overzicht te houden. Zij heeft eigenlijk zelf 24 uur per dag begeleiding nodig. Door haar problematiek lukt het haar niet om tot samenwerking te komen en weigert zij toestemming te geven voor belangrijke zaken. De GI bevestigt de praktische problemen rondom ID-kaarten en vakanties. Volgens Antes komt dit vooral voort uit de verstandelijke beperking van de moeder. De moeder ziet niet dat zij schadelijke dingen doet voor en zegt tegen de kinderen. Het is voor de moeder ook erg lastig om begrip te tonen voor het feit dat de kinderen niet meer bij haar wonen en daar goede afspraken over te maken. De moeder is erg wisselend in haar wensen rondom het contact met de kinderen en haar gezag. Op verzoek van de moeder is gestart met contactherstel, maar gezien wordt dat zelfs beeldbellen al erg moeizaam verloopt. Het lukt de moeder niet om in gesprek te komen. De moeder woont met haar nieuwer partner in een voorziening voor begeleid wonen. De begeleiding geeft aan dat er veel ruis is in de samenwerking. De moeder laat de begeleiding inmiddels niet meer binnen. Zij hebben te kennen gegeven de omgang tussen de moeder en de kinderen hierdoor niet te kunnen begeleiden.
4.2.
Namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder heeft het gevoel dat zij geen kans heeft gekregen om zichzelf te bewijzen. Het klopt dat zij een tijd niet betrokken is geweest bij de kinderen, maar dit kwam door de zwangerschap van haar jongste kind en de complicaties daarbij. De moeder weet dat de kinderen niet meer bij haar kunnen wonen, maar zij wil wel graag betrokken blijven en goed contact met hen hebben. Zij heeft altijd voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] gezorgd, maar wordt nu al lange tijd niet meer op de hoogte gehouden van ontwikkelingen rondom de kinderen. Dat doet de moeder veel verdriet en zorgt voor frustratie en onbegrip. De moeder betwist dat zij toestemming voor praktische zaken weigert. De moeder wil graag meewerken, maar doordat haar niks wordt gevraagd is dat erg lastig. Met name [voornaam minderjarige 1] geeft aan graag contact met de moeder te willen. Het is belangrijk dat dat goed wordt georganiseerd. Een gezagsbeëindiging zal juist voor meer onrust zorgen. Een gezagsbeëindiging heeft ook geen meerwaarde. De moeder ziet in dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] goed zitten op hun huidige plekken. De moeder wil graag nog een kans en vraagt de rechtbank haar gezag niet te beëindigen.
4.3.
De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij het jammer zou vinden als de moeder haar gezag verliest, maar dat het voor hem wel een stuk makkelijker zou zijn als hij eenhoofdig gezag heeft. De vader heeft op dit moment geen contact met de moeder en vraagt nu telkens via de jeugdbeschermer toestemming voor allerlei zaken. De vader vindt het belangrijk dat de kinderen de moeder kunnen blijven zien. Zij blijft immers hun moeder.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Een gezagsbeëindiging maakt een inbreuk op het recht op respect voor het familie- en gezinsleven, zoals dit is vastgelegd in artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dat mag, volgens het tweede lid van artikel 8 EVRM, alleen als dat bij de wet is voorzien (in dit geval is dit neergelegd in artikel 266 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) en de inbreuk noodzakelijk is ter bescherming van de in artikel 8 EVRM genoemde belangen, waaronder de rechten en vrijheden van anderen. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, beëindigt de rechtbank het gezag niet. De maatregel mag niet onnodig ingrijpend zijn. De belangen van de minderjarigen staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] ernstig bedreigd en kan de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen. Er zijn al lange tijd grote zorgen over het psychisch welzijn van de moeder. Er is sprake van verwardheid, een verstandelijke beperking en een sterke beïnvloedbaarheid. Dit is van invloed op haar opvoedvaardigheden. Zowel voorafgaand aan de uithuisplaatsing als daarna, heeft zij de kinderen regelmatig (emotioneel) belast met haar problematiek. De moeder heeft ruim een jaar lang geen contact gezocht met de kinderen. Ook was zij onbereikbaar voor de GI. Nu wil zij wel weer contact met de kinderen, maar het contactherstel verloopt (door haar persoonlijke problematiek) moeizaam. Het lukt de moeder ook nog steeds niet om een constructieve samenwerking met de GI aan te gaan, afspraken te maken en deze na te komen. Het ontbreekt de moeder aan inzicht dat haar gedrag schadelijk is voor de kinderen. Daarnaast lijkt de moeder niet in te zien dat zij intensieve begeleiding nodig heeft om haar eigen leven op orde te krijgen en te houden. De moeder wordt niet in staat geacht om de verzorging en opvoeding van de kinderen te kunnen dragen. Dit alles maakt dat het opgroeiperspectief van de nu 10-jarige [voornaam minderjarige 1] en 5-jarige [voornaam minderjarige 2] niet bij de moeder ligt.
5.4.
De Raad heeft gemotiveerd gesteld dat de moeder, al dan niet bewust, weigert om toestemming te geven voor zaken zoals het aanvragen van ID-kaarten voor de kinderen en voor vakantie van de kinderen met de vader. Dat is niet in het belang van de kinderen. Verder verloopt het contact tussen de moeder en de GI stroef en is er tussen de moeder en de vader helemaal geen contact. Een gezagsbeëindiging maakt dat (gezags-)beslissingen over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voortaan voortvarend kunnen worden genomen. De rechtbank acht een gezagsbeëindiging daarom noodzakelijk in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . Dat belang weegt zwaarder dan het recht van de moeder op respect voor haar familie- en gezinsleven.
5.5.
De rechtbank benadrukt dat een gezagsbeëindiging niet in de weg staat aan het vormgeven van een positieve en constructieve contactregeling van de moeder met de kinderen. Hiervoor dient dan ook aandacht te zijn in het verdere verloop van de ondertoezichtstelling.
5.6.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder heeft voortaan alleen de vader het gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
5.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.8.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[naam moeder], geboren op [geboortedatum 3] 1986 in [geboorteplaats] , over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] , en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats] , waardoor voortaan alleen de vader het ouderlijk gezag over deze minderjarigen uitoefent;
6.2.
bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarigen;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Verweij, mr. A.J. van Dijk en mr. drs. H. Biemond, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.