ECLI:NL:RBROT:2025:14880

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11576596 \ CV EXPL 25-935
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eindafrekening en uitleg concurrentiebeding in arbeidsovereenkomst

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [persoon A] en Intercoating B.V. [persoon A] eiste betaling van een ingehouden voorschotbedrag van € 5.520,- en openstaande vakantie-uren van € 595,44, die volgens hem ten onrechte door Intercoating waren ingehouden. Intercoating betwistte dit en voerde aan dat de ingehouden bedragen voortvloeiden uit niet-winstgevende opdrachten. De kantonrechter oordeelde dat [persoon A] gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat Intercoating de voorschotten niet zou terugvorderen en dat de ingehouden vakantie-uren onterecht waren afgeschreven. De rechter veroordeelde Intercoating tot betaling van de ingehouden bedragen, inclusief wettelijke verhogingen en rente. Daarnaast werd het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst beoordeeld. De kantonrechter oordeelde dat het concurrentiebeding niet duidelijk was geformuleerd en dat [persoon A] dit niet had overtreden. Intercoating's vordering tot schadevergoeding van € 40.000,- werd afgewezen. De proceskosten werden aan Intercoating opgelegd, en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 11576596 \ CV EXPL 25-935
datum uitspraak: 20 november 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. R. Meijers,
tegen
Intercoating B.V.,
vestigingsplaats: Gorinchem,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. N. van Beurden.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘Intercoating’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 27 februari 2025, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, met bijlagen;
  • de akte overlegging producties van Intercoating, met bijlagen,
  • de spreekaantekeningen van Intercoating, met bijlagen.
1.2.
Op 7 oktober 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. [persoon A] was daarbij aanwezig, bijgestaan mr. R. Meijers. Namens Intercoating was aanwezig [persoon B] (directeur/bestuurder van Intercoating), bijgestaan door mr. N. van Beurden. Mevrouw [persoon C] was als toehoorder aanwezig.

2.De beoordeling

Wat is er gebeurd?
2.1.
[persoon A] is van 1 april 1985 tot 1 maart 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest voor Intercoating in de functie van Commercieel Technisch Adviseur, laatstelijk voor 32 uur per week. Intercoating heeft bij de eindafrekening een al betaald voorschotbedrag van € 5.520,- ingehouden en 24 vakantieuren afgeschreven op de salarisspecificatie van februari 2024. Volgens [persoon A] heeft Intercoating dit ten onrechte gedaan.
2.2.
Tegen deze achtergrond eist [persoon A] in conventie dat Intercoating wordt veroordeeld om aan hem te betalen € 5.520,- netto aan ten onrechte ingehouden voorschotbedrag en € 595,44 bruto aan openstaande vakantie-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente. Tevens eist [persoon A] dat Intercoating wordt geboden om een deugdelijke en correcte bruto/netto-specificatie van alle door Intercoating nog verschuldigde bedragen te verstrekken op straffe van een dwangsom en dat Intercoating wordt veroordeeld om een bedrag van € 680,77 netto inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen. Voorts eist [persoon A] dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard en Intercoating wordt veroordeeld in de proceskosten met de wettelijke rente.
2.3.
Intercoating betwist dat zij het voorschotbedrag ten onrechte heeft ingehouden, omdat dit voorkomt uit reeds betaalde voorschotten provisie, waarvan achteraf blijkt dat de opdrachten niet winstgevend zijn. Daarnaast betwist Intercoating dat zij gehouden is tot uitbetaling van vakantie-uren, omdat deze door [persoon A] zijn opgenomen.
2.4.
Voorts is Intercoating van mening dat [persoon A] door zijn indiensttreding per 1 maart 2024 bij het bedrijf [bedrijf B] . tekort is geschoten in de nakoming van het concurrentie- en geheimhoudingsbeding, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, dan wel heeft gehandeld in strijd met goed werknemerschap. Intercoating eist daarom in reconventie dat [persoon A] veroordeeld wordt om aan haar te betalen een bedrag van € 40.000,- aan boete of schadevergoeding. Dit bedrag is lager dan de daadwerkelijke boete of schade, maar veroordeling van [persoon A] tot betaling van dit bedrag zou naar tevredenheid van Intercoating zijn. Tevens eist Intercoating dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard en [persoon A] wordt veroordeeld in de proceskosten.
Intercoating moet 24 vakantie-uren aan [persoon A] betalen
2.5.
Intercoating heeft op de salarisspecificatie van februari 2024 ten onrechte 24 vakantieuren afgeschreven. Intercoating heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat de door haar in februari 2024 afgeschreven 24 vakantie-uren zien op door [persoon A] genoten vakantiedagen op 2, 3 en 4 januari 2024. Volgens [persoon A] – en dit is door Intercoating niet weersproken – heeft hij in de kerstperiode twee weken vakantie heeft opgenomen (de laatste week van december 2023 en de eerste week van januari 2024), wat gelet op zijn contract van 32 uur per week neerkomt op maximaal 64 vakantie-uren. Op de salarisspecificaties van december 2023 en januari 2024, die [persoon A] op zitting heeft laten zien, zijn in totaal al 74,39 vakantie-uren afgeschreven. Volgens [persoon A] volgt daaruit dat Intercoating in februari 2024 ten onrechte nog een keer 24 vakantie-uren heeft ingehouden voor de eerste week van januari 2024, omdat deze uren al in januari zijn afgeschreven. Intercoating heeft ter zitting niet kunnen toelichten waaruit volgt dat de vakantie-uren die in februari 2024 zijn afgeschreven wel zien op de vakantiedagen van 2, 3 en 4 januari 2024 of desnoods op andere vakantiedagen. De enkele verwijzing naar de salarisspecificaties zonder een boekhouding van de opname van de vakantie-uren is daartoe onvoldoende.
2.6.
Intercoating heeft dus onvoldoende toegelicht waarom zij 24 vakantie-uren heeft afgeschreven in februari 2024. Intercoating wordt daarom veroordeeld om het door [persoon A] gevorderde en door Intercoating niet betwistte bedrag van € 595,44 bruto aan openstaande vakantie-uren aan [persoon A] te betalen.
Intercoating moet het ingehouden voorschot aan [persoon A] terug te betalen
2.7.
Intercoating heeft ten onrechte op de eindafrekening een bedrag van € 5.520,- netto in mindering gebracht. Dit bedrag vloeit volgens Intercoating voort uit al betaalde voorschotten voor provisies waarvan achteraf is gebleken dat de opdrachten niet winstgevend waren. Het gaat om de provisies voor de opdrachten [bedrijf V] (€ 2.880,-) en [bedrijf P] (€ 2.640,-).
2.8.
[persoon A] mocht er echter gerechtvaardigd op vertrouwen dat Intercoating bij de eindafrekening de voorschotten niet zou terugvorderen wegens de niet winstgevendheid van de opdrachten. Intercoating heeft namelijk ter zitting toegelicht dat zij in al de jaren dat [persoon A] bij haar werkzaam was (dus sinds 1985) niet eerder voorschotten voor provisies heeft teruggevorderd als de opdrachten niet winstgevend waren. Daarmee heeft Intercoating niet voldaan aan haar werkwijze zoals toegelicht in de conclusie van antwoord, namelijk dat zij maandelijks voorschotten betaalde voor de provisies en in de maand volgend op de afzonderlijke kwartalen de verrekening opmaakte ten aanzien van de provisies. Gelet hierop is er een verworven recht ontstaan dat Intercoating ook bij de eindafrekening de voorschotten niet zou terugvorderen wegens niet winstgevende opdrachten. Dat de reden voor het niet eerder verrekenen/terugvorderen was dat de totale omzet toen wel goed was, wat Intercoating ter zitting heeft toegelicht, maakt het voorgaande niet anders, omdat Intercoating onvoldoende heeft toegelicht dat bij de opdrachten van [bedrijf V] en [bedrijf P] sprake was van een andere situatie.
2.9.
Dit voorgaande betekent dat Intercoating zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij op de eindafrekening een bedrag van € 5.520,- netto mocht inhouden en zij veroordeeld wordt om dit bedrag aan [persoon A] te betalen. Gelet hierop hoeft niet meer in te worden gaan op de betwisting van [persoon A] dat de opdrachten niet winstgevend waren of dat dit aan hem kan worden toegerekend.
Intercoating moet een wettelijke verhoging betalen van 50%
2.10.
Omdat Intercoating, gelet op wat hiervoor is overwogen, ten onrechte de 24 vakantie-uren en het voorschot heeft ingehouden, heeft Intercoating een deel van het loon niet (en dus te laat) betaald aan [persoon A] . Intercoating wordt daarom veroordeeld om de wettelijke verhoging [1] van 50% aan [persoon A] betalen, zijnde een bedrag van € 297,72 bruto voor de vakantie-uren en een bedrag van € 2.760,- netto voor de voorschotten.
Intercoating moet wettelijke rente betalen
2.11.
De vordering tot betaling van de wettelijke rente over de ingehouden vakantie-uren en het ingehouden voorschot (artikel 6:119 BW) wijst de kantonrechter als onbetwist en op de wet gegrond toe.
Intercoating moet een bruto/netto-specificatie verstrekken
2.12.
Tegen de door [persoon A] gevorderde overlegging van een deugdelijke en correcte bruto/netto-specificatie heeft Intercoating geen verweer gevoerd, zodat deze vordering wordt toegewezen. De kantonrechter ziet geen reden om hieraan een dwangsom te verbinden, omdat Intercoating in het verleden altijd bruto/netto-specificaties heeft verstrekt en er geen aanwijzingen zijn dat zij dat nu niet zal doen.
Intercoating moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
2.13.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 680,77 netto inclusief btw, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
Het concurrentiebeding is door [persoon A] niet overtreden
2.14.
Intercoating komt geen beroep toe op nakoming van artikel 7 van de arbeidsovereenkomst (het concurrentiebeding), omdat het concurrentiebeding niet door [persoon A] is overtreden. Hierna wordt toegelicht hoe tot dit oordeel is gekomen.
2.15.
Artikel 7 van de arbeidsovereenkomst (het concurrentiebeding) luidt als volgt:
De werknemer zal zonder schriftelijke toestemming van werkgever gedurende een tijdvak van 1 jaar, niet in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van werkgever vestigen, drijven of meedrijven of doen drijven, hetzij direkt hetzij indirekt, als ook financieel om welke vorm ook bij een dergelijke zaak belang hebben, daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, al dan niet in dienstbetrekking hetzij tegen vergoeding hetzij om niet, of daarin aandeel hebben, zulks op verbeurte van een direkt opeisbare boete van fl. 5.000,--per gebeurtenis en tevens fl. 500,-- per iedere dag dat hij in overtreding is, te betalen aan werkgever onverminderd het recht van werkgever om volledige schadevergoeding te vragen.
2.16.
Dit artikel is niet helder geformuleerd, omdat het onduidelijk is of het [persoon A] alleen niet is toegestaan om zelf een concurrerend bedrijf op te richten en in dit opgerichte concurrerende bedrijf werkzaam te zijn (de uitleg van [persoon A] ) of dat het [persoon A] niet is toegestaan om zelf een concurrerend bedrijf op te richten en ook niet om in een concurrerend bedrijf werkzaam te zijn (de uitleg van Intercoating). Het is dus onduidelijk of de woorden ‘
daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, al dan niet in dienstbetrekking hetzij tegen vergoeding’ zien op de woorden ‘
een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van werkgever vestigen, drijven of meedrijven of doen drijven’ of alleen zien op de woorden ‘
een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van werkgever’.
2.17.
Bij de uitleg van een concurrentiebeding komt het op grond van vaste rechtspraak naast de zuiver taalkundige bewoordingen van het beding ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het concurrentiebeding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. In dit geval staat echter vast dat onderhavig beding eenzijdig door Intercoating is opgesteld zonder overleg met [persoon A] . Dit brengt mee dat de bedoelingen van partijen – voor zover deze niet uit het beding kenbaar zijn – geen rol spelen. Voor de uitleg van het beding zijn de zuiver taalkundige bewoordingen waarin het beding is opgesteld in dit geval daarom van doorslaggevende betekenis.
2.18.
De in het concurrentiebeding gekozen formulering biedt objectief taalkundig gezien geen aanknopingspunten om eerder aan te sluiten bij de door Intercoating voorgestane ruime uitleg, dan bij de door [persoon A] voorgestane uitleg. Daarbij weegt mee dat het niet zo is, wat Intercoating stelt, dat het bij de door [persoon A] voorgestane uitleg geen nut heeft om het stukje over de dienstbetrekking in het concurrentiebeding op te nemen. Dit kan volgens Intercoating niet, omdat het niet mogelijk is in dienst te zijn bij een onderneming die men zelf drijft of doet drijven. Daarin wordt Intercoating echter niet gevolgd, want het is immers wel mogelijk dat het concurrerende bedrijf door een rechtspersoon wordt gedreven, dat [persoon A] daarin aandelen houdt en dus het concurrerende bedrijf (mede) doet drijven. In die situatie is het mogelijk dat [persoon A] bij die rechtspersoon in dienst is.
2.19.
Nu er geen reden is eerder aan te sluiten bij de ruimere uitleg van Intercoating, is de kantonrechter van oordeel dat het concurrentiebeding ten gunste van [persoon A] moet worden uitgelegd. Van Intercoating, die het concurrentiebeding eenzijdig en op haar initiatief heeft opgesteld, had immers verwacht mogen worden dat zij het beding duidelijk zou formuleren. Nu zij dat niet gedaan heeft moeten onduidelijkheden gelet op het zwaarwegende persoonlijke belang van [persoon A] ten gunste van [persoon A] moeten worden uitgelegd. Dit heeft tot gevolg dat geen sprake is van een overtreding van het concurrentiebeding. [persoon A] is immers alleen in dienst getreden bij [bedrijf B] , waardoor geen sprake is van de situatie dat [persoon A] in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van Intercoating vestigt, drijft of meedrijft of doet drijven. Intercoating komt daarom geen beroep toe op nakoming van artikel 7 van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat de door Intercoating gevorderde boete van € 40.000,- wegens overtreding van het concurrentiebeding wordt afgewezen.
Er is geen sprake van onrechtmatig handelen
2.20.
Intercoating legt aan het door haar gevorderde bedrag van € 40.000,- eveneens ten grondslag dat [persoon A] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld of in strijd heeft gehandeld met goed werknemerschap en daarom een schadevergoeding ter hoogte van dit bedrag verschuldigd is. De kantonrechter volgt Intercoating hier niet in. Hierna wordt uitgelegd waarom.
2.21.
Van het handelen in strijd met goed werknemerschap kan geen sprake zijn, omdat [persoon A] niet meer in dienst is van Intercoating. Daarnaast staat het [persoon A] in beginsel vrij om, als er geen concurrentiebeding is of niet aan de voorwaarden van overtreding van het concurrentiebeding wordt voldaan, te concurreren met zijn voormalige werkgever. Dit is slechts onder bijzondere omstandigheden onrechtmatig. Van onrechtmatige concurrentie is volgens vaste rechtspraak sprake als [persoon A] stelselmatig en substantieel duurzaam bedrijfsdebiet van Intercoating afbreekt en daarbij gebruik maakt van vertrouwelijke kennis en gegevens die hij bij zijn Intercoating heeft verkregen [2] . Intercoating heeft onvoldoende gesteld dat aan deze criteria is voldaan. Uit wat Intercoating stelt volgt niet dat [persoon A] stelselmatig en structureel klanten van Intercoating heeft benaderd, want Intercoating beroept zich in dit kader alleen op de klant [naam klant] . Voorts heeft Intercoating onvoldoende gesteld waaruit volgt dat [persoon A] hierdoor het opgebouwde handelsdebiet afbreekt en ook dat hij dat heeft gedaan met de kennis en gegevens die hij bij Intercoating heeft gekregen. Dat [persoon A] kennis heeft van enkele marges en de klanten kent, is daartoe onvoldoende. Dit betekent dat er geen grond is om te oordelen van [persoon A] onrechtmatig heeft gehandeld en wordt [persoon A] niet veroordeeld om op grond daarvan een schadevergoeding van € 40.000,- aan Intercoating te betalen.
2.22.
Overigens volgt uit de stellingen van Intercoating ook niet dat zij degene is geweest die schade heeft geleden, omdat Inter Dakrenovatie B.V. (een zusterbedrijf van Intercoating in het concern Inter Dakgroep B.V.) het bedrijf is geweest dat de opdracht van de klant [naam klant] is misgelopen en daardoor het resultaat van die opdracht (volgens Intercoating € 60.000,- winst) heeft gemist. De akte van cessie waar Intercoating zich op beroept [3] ziet voorts niet op deze vordering, maar op de vordering van de ten onrechte ontvangen provisies.
Intercoating komt geen beroep op verrekening toe
2.23.
Gelet op het voorgaande wordt de reconventionele vordering van Intercoating afgewezen. Dit betekent dat het beroep op verrekening van Intercoating van de in conventie toegewezen bedragen met het in reconventie gevorderde bedrag van € 40.000- niet opgaat.
Het verzoek om stukken wordt afgewezen
2.24.
In haar spreekaantekeningen heeft Intercoating voor het geval de conventionele vorderingen worden toegewezen en haar reconventionele vordering wordt afgewezen, haar eis vermeerderd en gevorderd om [persoon A] te veroordelen bepaalde in de spreekaantekeningen [4] genoemde informatie te overleggen. [persoon A] heeft bezwaar gemaakt tegen deze eisvermeerdering en gesteld dat hij niet over de informatie beschikt.
2.25.
Intercoating heeft onvoldoende toegelicht wat haar belang is bij het verkrijgen van de gevorderde informatie als haar reconventionele vordering wordt afgewezen. Daarom wordt dit onderdeel van de vordering afgewezen.
Intercoating moet de proceskosten betalen
2.26.
De proceskosten in zowel conventie als in reconventie komen voor rekening van Intercoating, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die Intercoating aan [persoon A] moet betalen op € 149,02 aan dagvaardingskosten, € 257,- aan griffierecht, € 678,- aan salaris voor de gemachtigde in conventie (2 punten x € 339,-), € 1.086,- aan salaris voor de gemachtigde in reconventie (2 punten x € 543,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.305,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.27.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [persoon A] dat eist en Intercoating daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie en in reconventie
3.1.
veroordeelt Intercoating om, onder verstrekking van een bruto/netto-specificatie, aan [persoon A] te betalen:
  • € 5.520,- netto met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald;
  • € 595,44 bruto met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald
  • € 297,72 bruto aan wettelijke verhoging;
  • € 2.760,- netto aan wettelijke verhoging;
3.2.
veroordeelt Intercoating om aan [persoon A] te betalen een bedrag van € 680,77 netto inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.3.
veroordeelt Intercoating in de proceskosten in conventie en in reconventie, die aan de kant van [persoon A] worden begroot op € 2.305,02 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.
31688

Voetnoten

1.Artikel 7:625 lid 1 BW.
2.Hoge Raad 9 december 1955, ECLI:NL:HR:1955:47, arrest Boogaard/Vesta.
3.Productie 48 van Intercoating.
4.Randnummer 19 van de spreekaantekeningen.