ECLI:NL:RBROT:2025:14881

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11812336 VZ VERZ 25-5314
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek van ex-werknemer om betaling van achterstallig loon en transitievergoeding na beëindiging arbeidsovereenkomst

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een ex-werknemer, aangeduid als [verzoekster], en haar voormalige werkgever, Croissanterie de Snor B.V. De ex-werknemer verzocht om betaling van achterstallig loon, vakantietoeslag, vakantiedagen en een billijke vergoeding na het beëindigen van haar arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst was oorspronkelijk voor bepaalde tijd en de arbeidsomvang was door de werkgever gewijzigd van 30 uur naar 20 uur per week, wat de ex-werknemer betwistte. De kantonrechter oordeelde dat de wijziging van de arbeidsomvang niet vernietigbaar was en dat de ex-werknemer geen recht had op loon op basis van 30 uur per week. De Snor werd veroordeeld om een bedrag van € 144,47 bruto aan de ex-werknemer te betalen, wat betrekking had op het achterstallig loon en de restant transitievergoeding. De proceskosten werden gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat inhoudt dat de uitspraak onmiddellijk uitgevoerd kan worden, ook als er hoger beroep wordt aangetekend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11812336 VZ VERZ 25-5314
datum uitspraak: 21 november 2025
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster],
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. N.M. Fakiri.
tegen
Croissanterie de Snor B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
verweerster,
gemachtigde: mr. R.F. van Emden.
De partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘de Snor’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [verzoekster] , met bijlagen;
  • het verweerschrift van de Snor, met bijlagen;
  • productie 15 van [verzoekster] ;
  • productie 16 van [verzoekster] ;
  • productie 17 van [verzoekster] ;
  • productie 2 van de Snor;
  • de pleitnota van [verzoekster] .
1.2.
Op 24 oktober 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. [verzoekster] was hierbij aanwezig, bijgestaan door mr. N.M. Fakiri. Namens de Snor waren hierbij aanwezig [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] (allen directeur/eigenaar), bijgestaan door mr. R.F. van Emden.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[verzoekster] werkte sinds 27 mei 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij de Snor als medewerker catering/countermedewerker voor 30 uren per week. De Snor heeft per 1 september 2025 de arbeidsomvang van [verzoekster] gewijzigd in 20 uur per week. De arbeidsovereenkomst is vervolgens verlengd voor een arbeidsomgang van 24 uur per week met ingang van 1 december 2024 en eindigt op 30 mei 2025. Op 30 oktober 2024 heeft [verzoekster] zich ziek gemeld. De arbeidsovereenkomst is op 30 mei 2025 beëindigd, omdat deze door de Snor niet is verlengd.
2.2.
[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat de Snor ten onrechte de arbeidsomvang heeft gewijzigd van 30 uur naar 20 uur per week en dat de aanpassing van de arbeidsomvang in de tweede arbeidsovereenkomst naar 24 uur daarom ook niet kan. Ook is de Snor volgens [verzoekster] per januari 2025 ten onrechte uitgegaan van een minimumuurloon van € 13,68 bruto per uur in plaats van € 14,06 bruto per uur en heeft de Snor ten onrechte een bedrag van € 554,04 bruto verrekend voor min-uren Zij vraagt daarom betaling van het achterstallig loon vakantietoeslag en vakantiedagen over de periode van 1 september 2024 tot 1 juni 2025 ten bedrage van in totaal € 7.978,43 bruto inclusief wettelijke verhoging.
Daarnaast verzoekt [verzoekster] om de Snor te veroordelen een billijk vergoeding van € 8.785,36 bruto aan haar te betalen, omdat het einde van de arbeidsovereenkomst is ingegeven door ernstig verwijtbaar handelen van de Snor. Subsidiair, voor het geval de billijke vergoeding wordt afgewezen, vraagt [verzoekster] om de Snor te veroordelen aan haar een schadevergoeding te betalen van € 5.000,-.
Voorts vraagt [verzoekster] om de Snor te veroordelen een bedrag van € 165,83 aan haar te betalen, omdat de Snor een te laag bedrag aan transitievergoeding aan haar heeft uitbetaald. [verzoekster] verzoekt tevens om de Snor te veroordelen in de proceskosten en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De loonvordering en vakantiedagen op basis van een arbeidsomvang van 30 uur worden afgewezen
2.3.
[verzoekster] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat zij aanspraak heeft op loon over 30 uur per week en dat de Snor daarom te weinig loon heeft betaald en zij te weinig vakantiedagen heeft ontvangen. Hierna wordt toegelicht waarom.
2.4.
Op 9 augustus 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en de Snor. Tussen partijen is toen afgesproken om de arbeidsomvang van [verzoekster] te wijzigen van 30 uur naar 20 uur per week, omdat [verzoekster] had aangegeven vanwege migraine en prikkels niet in de winkel kon werken en ook niet vroeg te kunnen beginnen in de catering. [verzoekster] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij met de urenvermindering niet heeft ingestemd, want zij is niet opgekomen tegen het verslag van het gesprek van 9 augustus 2024 waarin de urenvermindering is opgenomen en heeft daarnaast de 20 uur per week ook daadwerkelijk gewerkt.
2.5.
De kantonrechter kan [verzoekster] evenmin volgen in haar stelling dat tijdens dit gesprek niet is gesproken over de financiële gevolgen van de urenvermindering, want uit het gesprekverslag volgt dat is afgesproken om het aantal contracturen te verminderen naar 20 uur per week en de rest zou worden aangevuld door een instantie. Uit dit laatste volgt dat wel over de financiële gevolgen is gesproken. Dit heeft [persoon A] , die bij het gesprek namens de Snor aanwezig was, overigens ook ter zitting bevestigd.
2.6.
Volgens [verzoekster] is de door haar gegeven toestemming vernietigbaar op grond van dwaling, omdat de Snor haar erop had moeten wijzen dat zij zich ook kon ziekmelden in plaats van het verminderen van de uren. De vermindering in uren was echter ingegeven door de beperking van [verzoekster] om bepaalde uren te werken en bepaalde werkzaamheden te verrichten. Zij kon dus wel werken, maar niet op alle tijdstippen van de dag en zij kon ook niet alle werkzaamheden doen. Gelet daarop lag een ziekmelding niet in de reden, waardoor de Snor haar daarop niet had hoeven wijzen en het beroep van [verzoekster] op dwaling niet opgaat. Evenmin slaagt daarom het beroep van [verzoekster] op misbruik van omstandigheden of handelen in strijd met goed werkgeverschap vanwege het niet wijzen van de Snor op de mogelijkheid tot ziekmelden.
2.7.
Dit voorgaande betekent dat wijziging van de arbeidsomvang van 30 naar 20 uur niet vernietigbaar is of [verzoekster] recht heeft op een schadevergoeding door handelen in strijd met artikel 7:611 BW. Er is daarom evenmin grond om de tweede arbeidsovereenkomst van 24 uur per week te vernietigen. Voor zover de loonvordering van [verzoekster] er dus op ziet dat zij recht heeft op loon op basis van een arbeidsomvang van 30 uur per week, wordt de loonvordering afgewezen. [verzoekster] heeft daarom ook geen recht op meer vakantiedagen, zodat de vordering van [verzoekster] die hierop ziet ook wordt afgewezen.
De Snor heeft een te laag bruto uurloon betaald vanaf januari 2025
2.8.
Volgens [verzoekster] heeft de Snor over de periode vanaf januari 2025 tot en met mei 2025 een te laag bruto uurloon gehanteerd, omdat het minimumloon per januari 2025 € 14,06 bruto per uur bedraagt. De Snor heeft dit erkend, maar in afwachting van deze procedure het tekort nog niet aan [verzoekster] uitbetaald. De Snor wordt daarom veroordeeld om over de periode van januari tot en met mei 2025 het achterstallig loon en vakantiegeld aan [verzoekster] te betalen op basis van een uurloon van € 14,06 bruto per uur. Volgens de Snor is dit een totaal bedrag van € 145,05 bruto, wat door [verzoekster] niet is betwist, zodat de Snor dit bedrag aan [verzoekster] moet betalen. De hierover gevorderde wettelijke verhoging wordt gematigd tot nihil, omdat niet gebleken is dat de Snor bewust een lager uurloon aan [verzoekster] heeft uitbetaald. Dit betrof volgens de Snor een administratieve fout.
De Snor heeft de min-uren terecht ingehouden
2.9.
[verzoekster] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat de Snor in mei 2025 ten onrechte een bedrag van € 554,04 bruto op haar loon heeft ingehouden aan min-uren. Volgens de Snor heeft [verzoekster] namelijk 102 min-uren opgebouwd tot en met augustus 2024, heeft [verzoekster] in de maanden daarna uren ingehaald en resteert daardoor een saldo aan min-uren van 40,5 min-uren. [verzoekster] heeft vervolgens tijdens de zitting niet betwist dat zij min-uren gemaakt heeft, maar zich op het standpunt gesteld dat de Snor haar erop had moeten wijzen zich ziek te melden. Hiervoor is echter al overwogen dat voor de Snor er geen reden was om [verzoekster] daarop te wijzen, zodat de uren niet ten onrechte als min-uren zijn genoteerd. Voor zover de loonvordering van [verzoekster] daarom ziet op ten onrechte ingehouden min-uren, wordt deze afgewezen.
De Snor doet terecht een beroep op verrekening
2.10.
De Snor stelt zich op het standpunt dat zij de min-uren heeft ingehouden tegen een uurtarief van € 13,86 bruto, terwijl dit een uurtarief van € 14,06 bruto had moeten zijn. De Snor beroept zich daarom op verrekening van een bedrag van € 16,62 bruto aan te weinig ingehouden min-uren met het bedrag dat zij aan [verzoekster] moet betalen. [verzoekster] heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter dit bedrag zal verrekenen met het bedrag dat de Snor aan [verzoekster] moet betalen. De Snor wordt daarom veroordeeld om een bedrag van € 128,43 bruto (= € 145,06 - € 16,62) aan [verzoekster] .
[verzoekster] heeft geen recht op een billijke vergoeding
2.11.
Het besluit van de Snor om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] niet voort te zetten houdt geen verband met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Snor, zodat niet aan de door [verzoekster] verzochte billijke vergoeding wordt toegekomen (artikel 7:673 lid 9 BW). Hierna wordt toegelicht waarom.
2.12.
Op 25 oktober 2024 heeft er een incident plaatsgevonden op de werkvloer tussen [verzoekster] en een aantal werknemers. [verzoekster] is toen door een collega bij de keel is vastgepakt. Volgens [verzoekster] is zij vervolgens ook door twee collega’s gediscrimineerd. De Snor betwist dat van discriminatie sprake is geweest, want zij heeft dit na onderzoek (onder andere door het bekijken van de camerabeelden) niet kunnen vaststellen. Volgens de Snor is er tijdens het incident ook tussen de werknemers over en weer gescholden, is [verzoekster] ook zelf handtastelijk geweest en heeft [verzoekster] een andere werknemer met een bezem geslagen.
2.13.
De kantonrechter stelt voorop dat het aan de Snor is om ervoor te kiezen of zij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde met [verzoekster] wel of niet verlengd. In dit geval stelt de Snor na het incident van 25 oktober 2024 niet voor verlenging te hebben gekozen, omdat er ook al eerder spanningen waren tussen [verzoekster] en de andere werknemers. De Snor is een klein bedrijf en kan het er niet bij hebben dat er onder de paar werknemers die er werken te veel spanningen zijn. Omdat de andere werknemers al langer in dienst zijn met vaste contracten, heeft de Snor ervoor gekozen om de overeenkomst met [verzoekster] niet te verlengen. Dit alleen is niet ernstig verwijtbaar.
2.14.
Daarnaast kan [verzoekster] niet worden gevolgd in haar standpunt dat de Snor haar zorgplicht heeft geschonden door niet te zorgen voor een veilige (discriminatievrije) werkvloer. Dat sprake is geweest van discriminatie is volgens de Snor niet komen vast te staan. Zij heeft hier onderzoek naar gedaan door onder andere de camerabeelden te bekijken en betrokkenen erover te horen. In wat [verzoekster] hiertegen heeft aangevoerd ziet de kantonrechter geen aanleiding om te twijfelen aan het onderzoek van de Snor. Dit betekent dat de discriminatie niet is komen vast te staan, dus dat de Snor wat dat betreft haar zorgplicht niet heeft geschonden. Wat betreft het incident dat heeft plaatsgevonden, kan ook niet geoordeeld worden dat de Snor haar zorgplicht heeft geschonden. Daarbij weegt mee dat de Snor voor het incident meerdere keren met [verzoekster] heeft gesproken over spanningen op de werkvloer. Dit is door [verzoekster] niet, althans onvoldoende, betwist. Ook heeft de Snor na het incident met de werknemers erover gesproken en heeft één van de bij het incident betrokken werknemers een officiële waarschuwing gekregen van de Snor. Gelet hierop kan niet geoordeeld worden de Snor haar zorgplicht heeft geschonden waardoor geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van de Snor.
2.15.
De Snor heeft ook niet ernstig verwijtbaar gehandeld of nagelaten door niet te zorgen voor re-integratie, nazorg en mediation. De arbeidsovereenkomst van [verzoekster] liep op 1 december 2024 af, maar was door de Snor al kort voor het incident verlengd tot en met 30 mei 2025. Volgens de Snor heeft zij gezocht naar een praktische oplossing, maar wilde. [verzoekster] niet instemmen met een eerdere beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De Snor heeft vervolgens ervoor gekozen om de tweede arbeidsovereenkomst uit te zitten en niets te doen aan mediation, omdat [verzoekster] na het advies van de bedrijfsarts van 10 januari 2025 niet met de Snor wilde praten, ondanks dat de bedrijfsarts dit wel adviseerde. De Snor heeft er toen mede vanwege bedrijfseconomische redenen voor gekozen om geen dure mediation in te zetten, omdat voor de Snor duidelijk was dat er een verdere toekomstige samenwerking geen sprake meer was. Daarbij woog volgens de Snor ook mee dat zij begin 2025 twee grote klanten was kwijtgeraakt, zodat zij [verzoekster] ook niet meer nodig had. Tegen deze achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat niet geoordeeld kan worden dat de Snor ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten door de re-integratie van [verzoekster] niet verder op te pakken en geen mediation te starten. Hierbij weegt mee dat ook niet is gebleken dat van de zijde van [verzoekster] op re-integratie is aangedrongen, zodat de Snor ook niet wist dat [verzoekster] zich niet kon vinden in het uitzitten van de arbeidsovereenkomst.
2.16.
Gelet op het voorgaande is er geen grond om een billijke vergoeding aan [verzoekster] toe te kennen, zodat dit wordt afgewezen.
De Snor heeft niet gehandeld in strijd met artikel 7:611 BW
2.17.
Volgens [verzoekster] heeft de Snor in strijd gehandeld met goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW) en heeft zij daardoor immateriële schade geleden. Zij vordert daarom dat de Snor veroordeeld wordt om een schadevergoeding van € 5.000,- bruto aan haar te betalen. Nu gelet op wat hiervoor is overwogen geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van de Snor, heeft [verzoekster] onvoldoende onderbouwd dat de Snor zich niet als een goed werkgever heeft gedragen. De verzochte schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
De Snor moet een aanvullende transitievergoeding betalen
2.18.
[verzoekster] heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan (artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW). De Snor heeft ook een transitievergoeding aan [verzoekster] betaald. Onbetwist is echter dat de transitievergoeding op een verkeerd bedrag is berekend, omdat de Snor is uitgegaan van een te laag uurloon van € 13,68 bruto in plaats van € 14,06 bruto. [verzoekster] heeft echter de door haar berekende restant transitievergoeding berekend op basis van een arbeidsomvang van 30 uur per week, wat gelet op wat hiervoor is overwogen onjuist is. Volgens de Snor heeft [verzoekster] bij een herbekening van de transitievergoeding nog recht op een bedrag van € 16,04 bruto, wat door [verzoekster] niet is bestreden. De Snor zal daarom veroordeeld worden om dit bedrag aan [verzoekster] te betalen.
De proceskosten worden gecompenseerd
2.19.
In de aard van het geschil ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.20.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [verzoekster] dat heeft gevraagd en de Snor daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de Snor om aan [verzoekster] te betalen € 144,47 bruto aan achterstallig loon en restant transitievergoeding;
3.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.
31688