Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van zijn huurwoning te schorsen en een moratorium toe te kennen voor zes maanden. De schulden zijn drie jaar geleden ontstaan door een huurachterstand na een huurverhoging en achterstallig onderhoud. Verzoeker ontvangt voldoende inkomen uit zijn onderneming om de huur te betalen en heeft inmiddels de huur voor december 2025 volledig voldaan.
Verweerder heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank constateert dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege een aangekondigde ontruiming. De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die zijn woning wil behouden en een schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, tegen het belang van verweerder die het vonnis wil uitvoeren.
De rechtbank acht het aannemelijk dat de lopende huurtermijnen betaald zullen worden en dat verzoeker een schuldhulpverleningstraject is gestart, hoewel dit tijdelijk is stopgezet. Daarom wijst de rechtbank het moratorium toe, maar beperkt dit tot vier maanden vanwege onduidelijkheid over het schuldhulpverleningstraject en het geringe aantal schuldeisers.
De rechtbank schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming en verlengt de huurovereenkomst voor de duur van het moratorium. Tevens verklaart zij verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw. De voorziening geldt onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan en dat schuldhulpverlening verslag uitbrengt.