ECLI:NL:RBROT:2025:14897

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
694289 / HA RK 25-131
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot voorlopig deskundigenonderzoek in de kinderopvangtoeslagenaffaire

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in de zaak van verzoekers, bestaande uit een moeder, haar minderjarige dochter en haar broer, die allen gedupeerden zijn van de kinderopvangtoeslagaffaire. De moeder heeft een forfaitaire compensatie van € 55.319,00 ontvangen op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen. Verzoekers hebben de Staat der Nederlanden aansprakelijk gesteld voor schade die zij hebben geleden door onrechtmatige besluiten van de Belastingdienst met betrekking tot kinderopvangtoeslag over de jaren 2010, 2011, 2013, 2015 en 2016. De Staat heeft geen verweer gevoerd, maar heeft wel kanttekeningen geplaatst bij de aansprakelijkheid jegens de dochter en de broer.

De rechtbank heeft het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek toegewezen, waarbij een psychiater zal worden benoemd om de schade te onderzoeken. De kosten van het onderzoek worden voorlopig ten laste van de Staat gelegd, hoewel de Staat zijn betwisting van aansprakelijkheid jegens de dochter handhaaft. De rechtbank heeft de deskundige opgedragen om vragen te beantwoorden over de medische situatie van de verzoekers en de gevolgen van het onrechtmatig handelen van de Staat. De beslissing over het verzoek om een arbeidsdeskundige aan te stellen is aangehouden, in afwachting van de bevindingen van de psychiater. De rechtbank heeft ook bepalingen gegeven over de betaling van het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek en de verplichtingen van partijen in het onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
zaaknummer / rekestnummer: C/10/694289 / HA RK 25-131
Beschikking van 18 december 2025
in de zaak van

1.[verzoekster]

en haar minderjarige kind,
[minderjarige],door haar rechtsgeldig vertegenwoordigd,
2.
[verzoeker],
allen wonende te Spanje,
hierna samen te noemen: verzoekers of de moeder, haar dochter en haar broer,
advocaat: mr. C.L.J.A. Spiertz,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
te Den Haag,
verwerende partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. H.J.S.M. Langbroek.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift dat strekt tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek, met één productie;
- de door de kantonrechter aan de moeder verleende machtiging om namens haar dochter deze verzoekschriftprocedure te voeren;
- de brief van mr. Langbroek van 27 februari 2025, waarin hij heeft laten weten dat de Staat geen verweer wil voeren, maar namens de Staat wel een aantal “suggesties” heeft gedaan;
- de schriftelijke reactie van mr. Spiertz van 10 maart 2025;
- de mondelinge behandeling van 3 juli 2025 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen namens verzoekers.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De moeder is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Haar broer is haar voormalige toeslagpartner.
2.2.
Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen heeft de moeder een forfaitaire compensatie toegekend gekregen van € 55.319,00.
2.3.
Bij brief van 5 oktober 2023 hebben de moeder, haar dochter en haar broer de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade ontstaan door onrechtmatige besluiten van de Belastingdienst tot vaststelling, verlaging, nihilstelling c.q. terugvordering van kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2010, 2011, 2013, 2015 en 2016.
2.4.
Bij brief van 15 maart 2024 heeft de Staat aansprakelijkheid erkend voor de besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) compensatie is toegekend in de integrale beoordeling.

3.Het geschil

3.1.
Verzoekers stellen zich op het standpunt dat zij als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire schade hebben geleden die hoger is dan de compensatie die zij toegekend hebben gekregen. Die schade willen zij verhalen op de Staat. Om vast te stellen hoe hoog die schade is, verzoeken zij om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen en daarbij een psychiater en een arbeidsdeskundige te benoemen, met als opdracht de in het verzoekschrift opgenomen vragen te beantwoorden en te bepalen dat de Staat de kosten van de onderzoeken moet betalen.
3.2.
De Staat heeft formeel geen verweer gevoerd maar plaatst wel een aantal kanttekeningen bij het verzoek. Zo wijst hij erop dat aansprakelijkheid jegens de dochter wordt betwist en ook jegens de broer niet vaststaat, en vraagt hij zich af of de voorgestelde vraagstelling voor de deskundigen voldoende duidelijk is, omdat het onrechtmatig handelen met betrekking tot de toeslagjaren 2010, 2011, 2013, 2015 en 2016 niet samenvalt met die jaren nu de eerste ‘neerwaartse’ beschikking over (het eerste van) die toeslagjaren dateert van 26 oktober 2011. Daarnaast is volgens de Staat van belang dat de broer pas vanaf 1 januari 2014 tot en met januari 2017 de toeslagpartner van de moeder was, waardoor slechts de toeslagjaren 2015 en 2016 voor zijn eventuele schade relevant zijn, waarbij van belang is dat de eerste neerwaartse beschikking over die toeslagjaren dateert van 4 mei 2016.

4.De beoordeling

Toetsingskader voorlopig deskundigenbericht
4.1.
Een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht moet in beginsel worden toegewezen, tenzij de rechtbank van oordeel is dat de informatie die verlangd wordt niet voldoende bepaald is, onvoldoende belang bij het voorlopig deskundigenbericht bestaat, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, sprake is van misbruik van bevoegdheid of andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen het voorlopig deskundigenbericht (artikel 196 lid 2 Rv).
Deskundigenonderzoek door een psychiater
4.2.
De Staat heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek een psychiater te benoemen voor het verrichten van een onderzoek. De rechtbank zal dat verzoek in deze beschikking toewijzen met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen.
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben verzoekers voorgesteld om een psychiater van expertisebureau WPEX te benoemen. De Staat heeft aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben. Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank contact opgenomen met WPEX en heeft psychiater [naam] van WPEX verklaard vrij te staan en beschikbaar te zijn als deskundige. Dit betekent dat de rechtbank [naam] tot deskundige zal benoemen.
Vraagstelling
4.4.
In afwijking van het verzoek zal de nieuwste versie van de zogenoemde IWMD-vraagstelling “Causaal verband bij ongeval” aan de deskundige ter beantwoording worden voorgelegd, waarbij telkens “het ongeval” is vervangen door “het onrechtmatige handelen” door de Staat. De door verzoekers voorgestelde vraagstelling heeft minder aandacht voor de medische voorgeschiedenis en bevat een concrete vraag naar causaal verband, hetgeen een juridische toets lijkt te veronderstellen. Verder dient de deskundige acht te slaan op de kanttekeningen van de Staat dat het onrechtmatig handelen van de Staat met betrekking tot de toeslagjaren 2010, 2011, 2013, 2015 en 2016 niet samenvalt met die jaren nu de eerste ‘neerwaartse’ beschikking over (het eerste van) die toeslagjaren dateert van 26 oktober 2011 en dat de broer pas vanaf 1 januari 2014 tot en met januari 2017 de toeslagpartner van de moeder was.
Voorschot
4.5.
Naar aanleiding van de aan partijen voorgelegde kostenbegroting van [naam] heeft de Staat een aantal vragen gesteld. Dit betrof het feit dat in de begroting ook kosten voor een GZ-psycholoog en een klinisch neuropsycholoog waren opgenomen en onderdelen in de begroting die afweken van begrotingen in vergelijkbare zaken. [naam] heeft in reactie op die vragen aangegeven dat het inschakelen van een GZ-psycholoog naar zijn ruime ervaring leidt tot een betere inschatting van de eventuele problematiek, dat een klinisch neuropsycholoog is gespecialiseerd in onderzoek bij minderjarigen en dat – kort gezegd – de begroting voor het overige zo accuraat en transparant mogelijk is opgesteld. Ten slotte betreft het feit dat het uurtarief voor een GZ-psycholoog hoger is dan in vergelijkbare zaken een omissie volgens [naam]: ook in die andere zaken had dit het hogere uurtarief moeten zijn. Mede op basis van die beantwoording wordt het voorschot op de kosten van het onderzoek bepaald op het door de deskundige opgegeven bedrag, zoals hierna vermeld.
4.6.
[naam] heeft de met het onderzoek gemoeide kosten begroot op € 24.811,00 inclusief btw in totaal voor alle verzoekers. [naam] hanteert een uurtarief van € 390,00 exclusief btw voor een psychiater en van € 255,00 exclusief btw voor een GZ-psycholoog (voor meerderjarigen) en een klinisch neuropsycholoog (voor minderjarigen). [naam] verwacht dat hij voor de moeder en haar broer (meerderjarigen) 16 uren aan onderzoek zal besteden en de GZ-psycholoog drie uren. Voor de dochter (minderjarig) verwacht hij 7 uren aan onderzoek te besteden en de klinisch neuropsycholoog 13 uren. Daarnaast is per verzoeker drie uur aan administratieve werkzaamheden begroot tegen een uurtarief van € 50,00 exclusief btw. De kostenopgave wordt aan deze beschikking gehecht.
4.7.
Verzoekers hebben verzocht te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundigenonderzoeken door de Staat wordt betaald. Hoewel de Staat als gezegd geen verweer voert, heeft hij op dit punt de kanttekening geplaatst dat hij zijn betwisting van aansprakelijkheid jegens de dochter handhaaft en dat dit verweer gevoerd zal worden in het kader van een eventuele bodemprocedure. Ook staat de aansprakelijkheid jegens de broer niet vast. Gelet op de vaststaande aansprakelijkheid jegens de moeder en hetgeen is toegelicht over de samenhang van de verzoeken ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het voorschot op de kosten van het onderzoek door de Staat dient te worden betaald. Met voornoemde kanttekening heeft de Staat echter wel terecht gewezen op het risico voor verzoekers dat een deel van deze (aanzienlijke) kosten later alsnog voor hun rekening kan komen.
Overige verplichtingen van partijen
4.8.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze en andere verplichtingen uitwerken zoals nader onder “de beslissing” omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
4.9.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.
Deskundigenonderzoek door een arbeidsdeskundige
4.10.
De beslissing op het verzoek een onderzoek door een arbeidsdeskundige te gelasten wordt aangehouden. De bevindingen van de psychiater kunnen namelijk relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is. Nadat de psychiater zijn onderzoek heeft afgerond en partijen zijn rapport hebben ontvangen, mogen zij zich hierover uitlaten.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
benoemt tot deskundige:
[naam], psychiater,
correspondentieadres: WPEX
[adres]
Telefoon: [telefoonnummer]
5.2.
draagt de deskundige op om ten aanzien van de moeder, haar dochter en haar broer de volgende vragen te beantwoorden:

1.DE SITUATIE MET ONRECHTMATIG HANDELEN

Anamnese
a. Hoe luidt de anamnese? Welke behandelingen heeft onderzochte gehad? Wat was het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u vermelden welke belemmeringen betrokkene ervaart in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), bij het werk, bij werkzaamheden in, aan en om de woning, en bij het uitoefenen van hobby’s en bezigheden in de recreatieve sfeer?
Medische gegevens
b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van de medische voorgeschiedenis (dat wil zeggen de gezondheid voor het onrechtmatig handelen door de Staat) van de onderzochte op uw vakgebied? Wat is de medische behandeling geweest van de klachten en/of ervaren verschijnselen in gevolg op het onrechtmatig handelen en het resultaat daarvan?
Medisch onderzoek
c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?
Consistentie
d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?
e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt? N.B. Confrontatie met gevonden inconsistenties is wel nodig; een betrokkene moet namelijk de kans krijgen om hier persoonlijk en verbaal op te reageren.
Diagnose
f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?
Beperkingen
g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het onrechtmatig handelen? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?
Medische eindsituatie
h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het onrechtmatig handelen mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?

2.DE SITUATIE ZONDER ONRECHTMATIG HANDELEN

Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c – 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor onrechtmatig handelen
a. Bestonden voor het onrechtmatig handelen bij betrokkene reeds klachten en/of afwijkingen op uw vakgebied? Zo ja, zijn die klachten er nog steeds? Bestaan er andere klachten en/of afwijkingen die wel relevant zijn voor uw vakgebied? Kunt u hierbij onderscheid maken tussen de gegevens bij anamnese verkregen en informatie op basis van de medische broninformatie verkregen?
b. Zo ja, kunt u zo mogelijk aangeven welke beperkingen voor het onrechtmatig handelen uit deze klachten en/of afwijkingen voortvloeiden en nu nog steeds uit deze klachten en/of afwijkingen voortvloeien? Kunt u hierbij aangeven, of deze gegevens anamnestisch zijn of gebaseerd op medische broninformatie?
Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder onrechtmatig handelen
c. Zijn er bij de onderzochte op uw vakgebied aanwijzingen dat hij/zij ook zonder het onrechtmatig handelen de huidige klachten en/of afwijkingen op uw vakgebied zou kunnen hebben ontwikkeld? Wilt u hierbij de algemene gezondheidstoestand van betrokkene meewegen? Kunt u daarbij aangeven of deze vraag wordt beantwoord op basis van anamnese of dat dit wordt afgeleid uit het medisch dossier?
d. Zo ja (dus zonder onrechtmatig handelen ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en/of afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en/of afwijkingen zouden kunnen zijn voortgevloeid? Kunt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten? Indien dit niet mogelijk is dit graag aangeven.
f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet aan het onrechtmatig handelen gerelateerde klachten en afwijkingen?
g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?

3.OVERIG

a. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
het voorschot
5.3.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 24.811,00 (inclusief btw);
5.4.
bepaalt dat de Staat het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;
5.5.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot;
het onderzoek
5.6.
bepaalt dat verzoekers hun procesdossier in afschrift aan de deskundige dienen te doen toekomen;
5.7.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats;
5.8.
wijst de deskundige erop dat:
  • de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie);
  • de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen;
  • de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;
5.9.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek;
het schriftelijk rapport
5.10.
draagt de deskundige op om uiterlijk
vier maandenna het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;
5.11.
wijst de deskundige erop dat:
  • uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;
  • de deskundige verzoekers in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van hun inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW en, indien verzoekers als eerste kennis wensen te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan verzoekers (eventueel onder gesloten couvert via hun advocaat) moet toesturen en verzoekers daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of zij gebruik willen maken van hun blokkeringsrecht (waarbij verzoekers zich van commentaar op het concept moeten onthouden);
  • indien een of meer verzoekers binnen die termijn mededelen gebruik te maken van hun blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden betreffende die perso(o)n(en) onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen;
  • indien verzoekers geen gebruik maken van hun inzage- of blokkeringsrecht, de deskundige het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moet toezenden;
5.12.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het conceptrapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het conceptrapport te reageren;
overige bepalingen
5.13.
verklaart de beslissing over het voorschot (ambtshalve) uitvoerbaar bij voorraad;
5.14.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
3533 / 2537