ECLI:NL:RBROT:2025:14905

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
10/040368-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot doodslag, belaging, mishandeling en bedreiging in huiselijk geweld

Op 12 november 2025 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van huiselijk geweld tegen zijn ex-partner. De verdachte is veroordeeld voor poging tot doodslag, belaging, mishandeling en bedreiging. De rechtbank oordeelde dat de verdachte op 5 februari 2025 zijn ex-partner bij de keel heeft gegrepen met zodanige kracht dat dit de dood tot gevolg had kunnen hebben. Dit gebeurde in de slaapkamer van de aangeefster, waar de verdachte haar bedreigde en mishandelde. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht en een contactverbod met de aangeefster en haar kinderen. Daarnaast werd een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van 5 jaar, met een gebiedsverbod en contactverbod. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan de tenlastegelegde feiten, waarbij de impact van zijn daden op de aangeefster en haar kinderen zwaar meegewogen werd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10/040368-25
Datum uitspraak: 12 november 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1976,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] ,
raadsman mr. V.A. van Biljouw, advocaat te Breukelen.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 oktober 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:
  • vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde;
  • bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 6 ten laste gelegde (met partiële vrijspraak ten aanzien van de onder 4 ten laste gelegde mishandeling door te duwen);
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in de reclasseringsrapporten van 23 en 28 oktober 2025, met elektronische monitoring behorende bij het locatieverbod indien de reclassering positief adviseert over de mogelijkheden daarvoor, en dadelijke uitvoerbaarverklaring van deze voorwaarden en het reclasseringstoezicht;
  • oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod en locatieverbod zoals omschreven in het reclasseringsrapport, voor de duur van 5 jaar, met per overtreding een hechtenis van 2 weken, met een maximum van 6 maanden, en dadelijke uitvoerbaarverklaring van deze maatregel.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak feit 5 (vernieling ruit) zonder nadere motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 5 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Vrijspraak feit 6 (mishandeling in 2023)
4.2.1.
Standpunt officier van justitie
Het kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte de aangeefster [slachtoffer] in de periode van 1 september tot en met 31 december 2023 in Dordrecht heeft mishandeld door haar tegen haar ribben te stompen, zoals ten laste gelegd onder 6. De aangifte vindt op dit punt voldoende ondersteuning in de letselverklaring van de FARR-arts van 14 april 2025 en het sfeerproces-verbaal.
4.2.2.
Beoordeling
De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar in september 2023 uit het
niets twee harde stompen tegen haar ribben heeft gegeven, eerst rechts en toen links, en dat zij daardoor geen lucht kreeg en veel pijn had. Ook heeft zij verklaard dat hij haar in december 2023, toen zij met de auto van de sportschool naar huis reden, vanuit het niets een harde stomp op haar borst heeft gegeven en dat dit veel pijn deed, zij naar adem moest happen en zij ook bewusteloos is geraakt.
De verdachte ontkent de aangeefster toen of op enig ander moment te hebben gestompt. Met betrekking tot het incident in december 2023 heeft hij wel bevestigd dat hij met de aangeefster in de auto zat, maar hij heeft een andere lezing over wat er toen is gebeurd. Hij ontkent haar toen te hebben gestompt en volgens hem was zij ook niet bewusteloos geraakt.
Ook overigens zijn er geen op zichzelf staande bewijsmiddelen, waarin de verklaring van de aangeefster over deze mishandelingen wordt ondersteund.
De aangeefster is op 29 januari 2024 naar de huisarts gegaan. Blijkens de letselverklaring van de FARR-arts van 14 april 2025 is toen geen objectiveerbaar letsel vastgesteld. Er is vervolgens wel op 15 februari 2024 een röntgenfoto van haar borstkas gemaakt. Daarover heeft de radioloog gerelateerd dat er een verdenking bestaat op een doorgemaakte, reeds genezen ribbreuk in de achtste en negende rib aan de rechterzijde. Op basis hiervan kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld dat daadwerkelijk sprake is geweest van ribbreuken en kan bovendien niet worden vastgesteld wanneer zij deze heeft opgelopen en waardoor. Gelet daarop kan de FARR-verklaring niet dienen als ondersteuning van de verklaring van de aangeefster.
Er zijn ook geen verklaringen in het dossier van getuigen. Zo ontbreken in het dossier verklaringen van de medewerkers van het sociaal wijkteam tegen wie de aangeefster zegt te hebben verteld over deze mishandelingen. Ook het sfeerproces-verbaal, waar de officier van justitie naar verwijst, bevat geen verklaringen of bevindingen op dit punt en kan dus evenmin dienen als ondersteuning voor de verklaring van de aangeefster.
Er is daarom onvoldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring van deze mishandelingen te komen.
4.2.3.
Conclusie
Het onder 6 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4.3.
Bewijswaardering feit 1 (poging tot doodslag en poging zware mishandeling)
4.3.1.
Standpunt officier van justitie
Het kan wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte opzettelijk heeft geprobeerd de aangeefster van het leven te beroven. De verdachte heeft door het toegepaste geweld, namelijk door de aangeefster bij de keel te grijpen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangeefster zou komen te overlijden. Het is aan het handelen van de dochter van de aangeefster te danken, doordat zij de verdachte van de aangeefster heeft losgetrokken, dat de aangeefster uiteindelijk niet is komen te overlijden.
4.3.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat de verdachte geen opzet had op de dood van de aangeefster, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdachte heeft de aangeefster niet gewurgd; hij heeft alleen met één hand de keel van de aangeefster beetgepakt. Dat beetpakken heeft zo kort geduurd, dat die handeling niet tot de dood zou kunnen leiden of schade heeft veroorzaakt die tot de dood zou kunnen leiden. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar keel al had losgelaten voordat de dochter van aangeefster de slaapkamer binnenkwam.
In het latere verhoor bij de rechter-commissaris heeft de aangeefster ook verklaard dat zij het woord ‘wurgen’ dat in het proces-verbaal van aangifte is opgenomen, te zwaar vindt en dat zij dat zo niet tegenover de politie heeft verklaard.
4.3.3.
Beoordeling
Feiten
De verdachte is in de nacht van 5 februari 2025 de slaapkamer van de aangeefster binnengedrongen. Nadat de aangeefster wakker werd, heeft de verdachte tegen haar gezegd dat zij stil moest zijn. Toen de aangeefster daar geen gehoor aan gaf, heeft de verdachte haar met één hand bij de keel gegrepen.
De verklaringen van de aangeefster en de verdachte over de wijze van grijpen naar de keel en de intensiteit van het knijpen in de keel, lopen uiteen. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar met één hand aan het haar heeft getrokken en met de andere hand haar keel heeft gegrepen. De aangeefster kon geen geluid meer maken en had veel moeite met ademen. Zij voelde door het dichtknijpen van haar keel een zwelling in haar gezicht. Ook ervaarde zij een grote druk in haar hoofd en had zij het gevoel dat het bloed naar haar hoofd ging. De aangeefster was bang door de verwurging, die volgens haar ongeveer een minuut heeft geduurd, dood te gaan.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster steun vindt in andere op zichzelf staande bewijsmiddelen.
Allereerst volgt uit de getuigenverklaring van de dochter ( [naam getuige] ) dat zij geluiden uit de slaapkamer van de aangeefster hoorde die zij beschrijft als geluiden van een persoon die niet kan ademhalen en die wil schreeuwen, maar dat niet kan. [naam getuige] zag bij het binnenlopen van de slaapkamer dat de verdachte over de aangeefster lag en haar bij de keel had gegrepen. Het gezicht van de aangeefster was volgens [naam getuige] rood, blauw en opgezwollen. Zij kon aan de uitdrukking in het gezicht zien dat de aangeefster moeilijk kon ademen. [naam getuige] heeft verklaard dat zij aan de verdachte geduwd en getrokken heeft om ervoor te zorgen dat hij de aangeefster zou loslaten. Pas na enige tijd lukte het [naam getuige] om de verdachte van aangeefster af te krijgen omdat de verdachte eerst niet wilde loslaten. De aangeefster was volgens [naam getuige] na het loslaten bij bewustzijn, maar had veel moeite met ademhalen en zij hapte ook naar adem. [naam getuige] heeft verklaard dat tussen het wakker worden van de geluiden, het signaleren van waar de geluiden vandaan kwamen en het uiteindelijk loslaten door de verdachte ongeveer anderhalve minuut was verstreken.
Uit de verklaring van de FARR-arts volgt dat twee dagen na het incident een ovale huidverkleuring bij de rechter onderkaak zichtbaar was. Net onder het rechter oog waren puntvormige rode huidverkleuringen zichtbaar, dat was een bloeduitstorting. Beide letsels passen naar het oordeel van de rechtbank bij de verklaring van de aangeefster.
De verklaring van de aangeefster wordt ook ondersteund door de bevindingen van de politie vlak na het incident. Uit het proces-verbaal van verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] volgt dat zij ter plaatse een rode striem in de rechterzijde van de hals van de aangeefster hebben geconstateerd, die vijf tot tien centimeter lang was en de lijn van de kaak richting de kin volgde. Dit blijkt ook uit de foto’s bij dat proces-verbaal.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de aangeefster met kracht bij de keel heeft gegrepen en de keel heeft vastgehouden en dichtknepen. Haar gezicht verkleurde en zwol op. Daardoor werd de aangeefster de adem ontnomen en kon zij ook niets meer zeggen of roepen. Uit de verklaringen van de aangeefster en van [naam getuige] leidt de rechtbank af dat deze gedraging ongeveer een minuut heeft geduurd.
De verklaring van de verdachte dat hij alleen zijn hand onder haar kin heeft gehouden en zacht heeft geknepen, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. De verdachte heeft op de terechtzitting zelf ook verklaard dat hij wilde dat de aangeefster stil werd. Die verklaring verhoudt zich niet tot de door hem beschreven gedraging.
Weliswaar heeft de aangeefster later bij de rechter-commissaris verklaard dat zij het woord ‘wurgen’ niet letterlijk tegen de politie heeft gezegd en dat zij niet weet of zij dat woord als omschrijving voor de gedraging van de verdachte zou gebruiken, toch is de rechtbank van oordeel dat haar feitelijke omschrijving van de gedraging – ook later bij de rechter-commissaris – wel degelijk een verwurging beschrijft.
De kwalificatie
De rechtbank moet beoordelen of het vasthouden en dichtknijpen van de keel van de aangeefster gekwalificeerd kan worden als poging tot doodslag. Hiervoor moet worden vastgesteld dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van de aangeefster, al dan niet in voorwaardelijke zin.
Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte vol opzet had om de aangeefster te doden. Er kan echter ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg (in dit geval: de dood) is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De verdachte moet niet alleen wetenschap hebben van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar hij moet die kans ten tijde van de gedraging ook bewust hebben aanvaard.
De rechtbank stelt voorop dat niet elk dichtknijpen van de keel een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Uit de verklaringen van de aangeefster en [naam getuige] volgt echter dat het dichtknijpen met zodanige kracht, duur en intensiteit is geweest, dat de aangeefster niet meer kon ademen en geen geluid meer kon maken, dat haar gezicht was verkleurd en was opgezwollen en dat de aangeefster druk in haar hoofd voelde. Naar algemene ervaringsregels kan een dergelijke gedraging onder deze omstandigheden uiteindelijk de dood tot gevolg hebben.
De verdachte heeft het intreden van dit mogelijke gevolg ook bewust aanvaard. Hij heeft de keel van de aangeefster pas losgelaten nadat [naam getuige] hem na enige tijd duwen en trekken van de aangeefster kon lostrekken. De verdachte heeft de aangeefster niet uit eigen beweging losgelaten, ook niet nadat het gezicht van de aangeefster verkleurde en was opgezwollen en duidelijk was dat zij niet (goed) meer kon ademen. Door de aangeefster niet los te laten, heeft de verdachte de kans aanvaard dat de aangeefster door zijn handelen kon komen te overlijden.
De rechtbank concludeert derhalve dat wettig en overtuigd bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde poging tot doodslag.
4.4.
Bewijswaardering feit 2 (belaging, subsidiair dwang in de periode van 1 januari 2025 tot en met 5 februari 2025)
4.4.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat de gedragingen van de verdachte gedurende een groot deel van de ten laste gelegde periode niet kunnen worden aangemerkt als het inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster [slachtoffer] . Begin januari 2025 zou de relatie zijn gestopt, maar daarna is er nog steeds over een weer interactie geweest tussen de verdachte en de aangeefster. Er zijn in het dossier aanwijzingen dat de aangeefster daarna ook weer naar hem toe is gegaan. In het dossier staat dat zij bij de garage van de verdachte langsging en met hem naar het ziekenhuis ging. De verdachte heeft verklaard dat zij hem heeft gevraagd om de kinderen naar school te brengen en op te halen en dat hij nog regelmatig naar de woning van de aangeefster kwam om daar te douchen en zijn kleding te wassen. Er zijn veel WhatsApp-/ en SMS-berichten in het dossier en daaruit blijkt de aangeefster ook WhatsApp-/ en SMS-berichten aan de verdachte (terug)stuurde. Ook zijn er heel veel filmpjes en foto’s gestuurd over eten en over de kinderen.
De gedragingen van de verdachte in de laatste dagen (van 1 tot en met 5 februari 2025) zijn wel vervelend geweest, maar dat kan niet worden aangemerkt als het stelselmatig (langdurig) inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster.
4.4.2.
Beoordeling
Toetsingskader
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 Sr van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan ook worden afgeleid dat ook een geringe duur en frequentie van de gedragingen het bestaan van de vereiste stelselmatigheid van de inbreuk niet hoeft uit te sluiten.
Feiten
De verdachte en de aangeefster hebben vanaf eind 2022 een relatie met elkaar gehad. Na een mishandeling begin 2024 (waarvoor de verdachte ook is veroordeeld) is aan de verdachte en contactverbod opgelegd die liep tot mei 2024. Na het aflopen van dit contactverbod zocht de verdachte weer toenadering tot de aangeefster en daarna hadden zij weer regelmatig contact. In september/oktober 2024 is de aangeefster verhuisd. Zij heeft het adres niet aan de verdachte doorgegeven, maar hij wist haar adres te achterhalen en is vervolgens in oktober 2024 naar haar huis gegaan toen er een man bij haar in huis aan het werk was, waar hij koffie naar haar zou hebben gegooid. Daarop is de politie ingeschakeld en daarna heeft een stopgesprek plaatsgevonden, waarin de politie aan hem meedeelde dat hij niet meer welkom was op het woonadres van de aangeefster en dat de aangeefster wilde dat hij haar met rust liet. De verdachte beloofde toen geen meldingen meer te veroorzaken. Hij heeft daarna, op 2 november 2024, toch weer contact met haar gezocht via WhatsApp. De aangeefster heeft in dat WhatsApp-gesprek meerdere keren duidelijk gemaakt dat zij niet verder wilde in de relatie en uit de reactie van de verdachte daarop blijkt ook dat hij dit begreep. Hij heeft op enig moment ook de aangeefster beloofd dat hij na de feestdagen van eind 2024 de aangeefster en haar kinderen met rust zou laten.
De aangeefster heeft op 1 januari 2025 definitief de relatie met de verdachte beëindigd. De verdachte is toen vertrokken en zij heeft zijn telefoonnummer geblokkeerd. Zij heeft op enig moment in de dagen daarna zijn telefoonnummer weer gedeblokkeerd. Zij zag toen dat hij op 3 januari 2025 opnieuw meerdere berichten aan haar had gestuurd en daarop maakte zij hem nogmaals duidelijk dat zij niet verder wilde met hem en hij haar met rust moest laten. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat zij dat niet duidelijk tegen haar heeft gezegd, maar dat wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en acht de rechtbank daarom niet geloofwaardig. Gelet op hetgeen vanaf oktober 2024 heeft plaatsgevonden en de berichten die de aangeefster daarna naar hem heeft gestuurd, moet de verdachte geweten hebben dat de aangeefster de relatie had beëindigd en geen contact meer met hem wilde. Bovendien volgt dat ook uit zijn eigen verklaring op de zitting, namelijk dat zij gezamenlijk de relatie hadden beëindigd. Volgens hem was dat gebeurd op 4 januari 2025, maar de rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen (de verklaring van de aangeefster en de berichten van 3 januari 2025) vast dat dit is gebeurd op 1 januari 2025.
In de ten laste gelegde periode van 1 januari tot en met 5 februari 2025 heeft de verdachte, ondanks dat hij wist dat de relatie was beëindigd en de aangeefster door hem met rust gelaten wilde worden, de aangeefster nog veelvuldig opgezocht en contact met haar gezocht.
Hij heeft de aangeefster gedurende deze periode veelvuldig gebeld en WhatsApp- en SMS-berichten gestuurd. Uit het proces-verbaal met de beëdigde vertaling van deze berichten blijkt dat het onder meer gaat om berichten met hele nare en intimiderende teksten, die in de tijd steeds indringender en daarmee (be)dreigender werden.
Ook heeft de verdachte zich in deze periode meerdere malen, zonder toestemming van de aangeefster, in de tuin en de woning van de aangeefster bevonden en heeft hij eenmaal geprobeerd binnen te komen.
Op 1 februari 2025 in de ochtend had hij de aangeefster gebeld. Toen zij de telefoon niet opnam, is hij naar haar woning gegaan en zonder toestemming van haar de woning binnengegaan. De aangeefster was toen zelf niet aanwezig. Hij heeft zich de toegang tot de woning verschaft door de tape van de kapotte ruit van de achterdeur te verwijderen en de deur van binnen te openen. In de middag stond hij weer bij de woning en wilde hij via het raam naar binnen komen, maar de aangeefster hield hem tegen en liet hem niet binnen. Hij werd boos en zei tegen haar “Ik breek je benen en je armen”.
Op 4 februari 2025 is hij opnieuw zonder toestemming van de aangeefster de woning binnengekomen. Hij wilde toen praten, maar zij gaf aan dat zij dat niet meer wilde.
Vervolgens is hij in de nacht van 5 februari 2025 (zoals hiervoor reeds is beschreven bij de bewijswaardering van feit 1), opnieuw door zich via de kapotte ruit van de achterdeur de toegang tot de woning te verschaffen, zonder toestemming van de aangeefster de woning binnengekomen.
De kwalificatie
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer - naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest.
De verdachte heeft, nadat zij de relatie had beëindigd, op een indringende en obsessieve wijze geprobeerd met de aangeefster contact te blijven houden en verder te gaan in de relatie, terwijl zij hem herhaaldelijk te kennen heeft gegeven dat zij geen relatie meer met hem wilde en door hem met rust gelaten wilde worden.
Dat er in deze periode nog over een weer contact was tussen de verdachte en de aangeefster is geen contra-indicatie voor de belaging. De aangeefster heeft hem enkele keren te woord gestaan (onder meer om hem duidelijk te maken dat ze geen contact meer met hem wilde), zijn contact op WhatsApp enige tijd gedeblokkeerd om voor haar eigen veiligheid in de gaten te houden waar hij mee bezig was en hem enkele keren bezocht omdat zij het paspoort van de hond nodig had, dat hij in bezit had, en omdat de verdachte haar had gemeld dat zij naar hem toe moest komen, omdat hij met een zere schouder op de huisartsenpost zat. Dit kan niet gezien worden als toenaderingspogingen van de aangeefster, waaruit de verdachte mocht begrijpen dat sprake was van normaal, gewenst contact.
De verklaring van de verdachte dat de aangeefster hem juist had gevraagd om de kinderen naar school te brengen en op te halen en hij ook nog bij haar kwam om te douchen en zijn kleding te wassen, acht de rechtbank in het licht van de bewijsmiddelen niet geloofwaardig.
4.4.3.
Conclusie
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich aan de onder 2 primair ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt.
4.5.
Bewijswaardering feit 3 (mishandeling)
De verdediging heeft zich met betrekking tot de onder 3 ten laste gelegde mishandeling van de aangeefster [slachtoffer] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdachte heeft ontkend haar te hebben gebeten. Deze ontkenning wordt echter weerlegd door de bewijsmiddelen. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de aangeefster op 5 februari 2025 in haar woning te Dordrecht, tijdens het incident waarbij hij haar bij de keel heeft gegrepen, in haar arm heeft gebeten.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij haar op die dag ook heeft geduwd. Daarvan wordt de verdachte partieel vrijgesproken.
4.6.
Bewijswaardering feit 4 (bedreiging)
4.6.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit met betrekking tot de onder 4 ten laste gelegde bedreiging. Daartoe is aangevoerd dat de aangifte op dit punt niet wordt ondersteund door ander bewijs, omdat haar dochter hierover niet heeft verklaard.
4.6.2.
Beoordeling
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 1 februari 2025, toen hij bij de woning van de verdachte was en binnen wilde komen, maar door de aangeefster werd tegengehouden, de aangeefster heeft bedreigd met de woorden “ik breek je benen en armen” of woorden van gelijke dreigende aard of strekking. De verklaring van de aangeefster wordt op dit punt ondersteund door de verklaring van de verdachte bij de politie waarin hij heeft bekend deze woorden toen tegen haar te hebben geuit. Ook vindt dit ondersteuning in de berichten van de verdachte op 4 februari 2025 waarin hij soortgelijke bewoordingen heeft gebezigd. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij deze bewoordingen niet heeft bedoeld als bedreiging, maar naar objectieve maatstaven bezien is dit wel aan te merken als bedreiging en zo heeft de aangeefster het ook ervaren.
Daarnaast stelt de rechtbank op basis van de verklaring van de aangeefster, die de rechtbank betrouwbaar acht, vast dat de verdachte op 5 februari 2025 tegen de aangeefster heeft gezegd: “Ik weet de drukpunten in jouw hart en nek en kan jou iets aan doen” of woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Mede gelet op de omstandigheid dat hij met de verwurging ook direct uitvoering heeft gegeven aan deze woorden, acht de rechtbank ook deze bedreiging wettig en overtuigend bewezen.
4.6.3.
Conclusie
De onder 4 ten laste gelegde bedreigingen zijn wettig en overtuigend bewezen.
4.7.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij op
of omstreeks5 februari 2025 te Dordrecht,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
haar met zijn hand
enom haar keel heeft vastgepakt en
/ofvastgehouden en
/ofdie keel (met kracht) heeft dichtgeknepen (gehouden),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij in
of omstreeksde periode van 1 januari 2025 tot en met 5 februari 2025 te Dordrecht,
althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:
  • zich meermaals, zonder toestemming, in de woning van die [slachtoffer] te bevinden en
  • zich voor/bij/rondom de woning en
  • veelvuldig berichten
  • veelvuldig te bellen naar die [slachtoffer] ,
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en
/ofvrees aan te jagen;
3.
hij op
of omstreeks5 februari 2025 te Dordrecht, [slachtoffer] heeft mishandeld door
haar tegen haar lichaam te duwen en/ofin haar arm
, althans lichaam,te bijten;
4.
hij in
of omstreeksde periode van 1 februari 2025 tot en met 5 februari 2025 te Dordrecht,
[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en
/ofmet zware mishandeling
en/of mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:
- “ ik weet de drukpunten in jouw hart en nek en kan jou iets aan doen” en
/of
- “ ik breek je benen en armen”
en/of
- “ik ga je vermoorden”,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
1.
poging tot doodslag;
2.
belaging;
3.
mishandeling;
4.
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

6.1.1.
Rapportages
Psycholoog [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 16 september 2025. Hij heeft in dit rapport geconcludeerd dat de verdachte niet lijdt aan een psychische stoornis en/of verstandelijke handicap en dat ook het geval was ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Het ten laste gelegde gedrag lijkt in sterke mate contextgebonden en bepaald door een aantal specifieke situatieve factoren, waaronder een problematische partnerrelatie en langdurig verhoogde stress. Hij adviseert daarom om de verdachte het tenlastegelegde (indien bewezen) volledig toe te rekenen.
Psychiater [naam psychiater] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 29 september 2025. Hij heeft geconcludeerd dat er in het door hem verrichte onderzoek geen stoornis is vastgesteld, maar er wel aanwijzingen zijn voor een antisociale persoonlijkheidsstoornis en misbruik van alcohol (en mogelijk cannabis) en dit ook het geval was ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Hij concludeert dat er echter te weinig onderbouwing is om te komen tot een vermindering van toerekening (indien bewezen) vanwege het niet kunnen vaststellen van een stoornis of van een delictscenario.
6.1.2.
Conclusie
De rechtbank komt gelet hierop tot de conclusie dat de feiten volledig aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Nu ook overigens uit het onderzoek op de terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

7.Motivering straf en maatregel

7.1.
Algemene overweging
De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten, die telkens waren gericht tegen zijn ex-partner. Hij heeft zijn ex-partner gedurende een periode van ruim een maand belaagd door haar veelvuldig te bellen en WhatsApp- en SMS-berichten te sturen met onder meer nare, intimiderende en (be)dreigende teksten. Ook heeft hij dit gedaan door naar haar woning te komen en zonder haar toestemming in de achtertuin te komen en ook in de woning te komen of dat proberen te doen. Hij is uiteindelijk ook midden in de nacht in een dronken toestand de woning binnengekomen en haar slaapkamer ingekomen en heeft haar daar bedreigd, mishandeld en gepoogd te doden door verwurging. Ook heeft hij eerder een verbale bedreiging naar haar geuit, namelijk toen hij poogde haar woning binnen te komen, maar zij hem tegenhield. De verdachte heeft door zijn handelen stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke integriteit van de aangeefster. Het handelen van de verdachte heeft grote impact op haar gehad, zo blijkt ook uit de door haar overgelegde schriftelijke slachtofferverklaring. De verdachte heeft met zijn handelen gevoelens van angst en onveiligheid bij haar veroorzaakt en versterkt. Ook moeten het beangstigende momenten zijn geweest voor de kinderen, zeker toen zij getuige waren van de verwurging en mishandeling van hun moeder door de verdachte.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 oktober 2025 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het betreft bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling van een levensgezel, die blijkens de overige stukken in het dossier en hetgeen op de zitting is besproken waren gericht tegen het slachtoffer in deze zaak (destijds nog zijn partner). Dit betreft een veroordeling in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van deze feiten, waardoor sprake is van recidive. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
7.3.2.
Rapportages
In het voornoemde rapport heeft psycholoog [naam psycholoog] geconcludeerd dat er bij afwezigheid van een (aantoonbare) psychische stoornis en gegeven het feit dat slechts
gesproken kan worden van antisociale trekken die niet indicatief zijn voor een (antisociale)
persoonlijkheidsstoornis, geen gronden zijn voor de conclusie dat er sprake is van een pathologisch verhoogd risico op recidive. Omdat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde niet vanuit een psychische stoornis werd belemmerd in zijn wils- en keuzevrijheid, zal hij ook in de toekomst vrij zijn om in vergelijkbare situaties keuzes te maken en andere keuzes te maken, aangezien bij afwezigheid van een psychische stoornis het gehele spectrum aan gedragsalternatieven beschikbaar voor hem is. Ook betekent de afwezigheid van een psychische stoornis dat hij niet op basis van een stoornis belemmerd wordt in zijn vermogen om lessen te trekken uit het tenlastegelegde en daar zijn voordeel mee te doen als het gaat om zijn partnerkeuze en om de manier waarop en snelheid waarmee hij relaties aangaat.
Hij concludeert dat er, gelet op zijn advies om het tenlastegelegde - indien bewezen - volledig aan de verdachte toe te rekenen en zijn conclusie dat er geen sprake is van een verhoogd recidiverisico, geen gronden zijn om een advies voor begeleiding en/of behandeling in een strafrechtelijk kader uit te brengen.
Het voornoemde rapport van psychiater [naam psychiater] houdt met betrekking tot het recidiverisico het volgende in. De verdachte is in het verleden veroordeeld voor verschillende typen delicten. Hij vertoont een patroon van antisociaal en roekeloos gedrag en een gebrek aan probleeminzicht. Er is sprake van alcoholmisbruik en een opportunistische en parasitaire levenswijze. Op de SRP (Stalking Risk Profile) scoort hij hoog op risico op recidive. Er is sprake van eerder geweld tegen zijn ex-vriendin, vandalisme van goederen, fysiek toenaderingsgedrag, een beperkte emotionele controle, vooral bij afwijzingen en alcoholmisbruik. Er zijn eigenlijk geen beschermende factoren. De klinische inschatting is ook dat het risico op recidive van gewelddadig en/of anderszins grensoverschrijdend gedrag verhoogd is.
Hij adviseert om de verdachte bij een bewezenverklaring een reclasseringstoezicht op te leggen, waarbij hij gecontroleerd wordt op misbruik van alcohol en andere middelen en hem de mogelijkheid wordt geboden om zich onder behandeling te stellen van een forensische polikliniek voor agressieproblematiek en verdere diagnostiek.
Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 oktober 2025. Op 28 oktober 2025 heeft de reclassering een aanvullend rapport opgemaakt, met daarin een wijziging van het advies.
In het rapport van 23 oktober 2025 staat onder meer het volgende.
Door de ontkennende houding van de verdachte ontbreekt het aan een gedegen delict-analyse, waardoor inzicht in de risico’s en de criminogene factoren beperkt blijft. De verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld richting de aangeefster. Hij heeft hiervoor een taakstraf opgelegd gekregen. Dit heeft hem er niet van weerhouden zich wederom agressief op te stellen richting de aangeefster. Als hij zonder enige hulp en controle weer buiten komt na detentie acht de reclassering de kans groot dat hij zijn leven op dezelfde wijze voort zal zetten en dat maakt het risico dat hij opnieuw komt tot een strafbaar feit hoog. Daartegenover staat dat hij vol zit met goede ideeën over zijn toekomst. Met de nodige controle en hulp weet hij hier wellicht echt aan te werken en zijn plannen om te zetten in daden.
De kans op letselschade wordt ingeschat als gemiddeld als hij zijn leven buiten op dezelfde wijze zijn leven zou voortzetten.
Het risico op het zich onttrekken aan de voorwaarden wordt ingeschat als hoog. De verdachte is eerder een taakstaf niet nagekomen. Ondanks dat hij heeft aangegeven aan alle opgelegde voorwaarden mee te zullen werken kan de reclassering zich niet aan de indruk onttrekken dat deze toezegging tot medewerking deels wordt ingegeven door zijn proceshouding. De verdachte heeft geen vaste woon-of verblijfplaats. Het is vooralsnog onduidelijk naar welke regio hij gaat wanneer hij uit detentie komt. Daarnaast blijft echte erkenning van het eigen grensoverschrijdende gedrag uit. Hoewel hij in enige mate berouw toont jegens het slachtoffer, blijft hij de hem ten laste gelegde feiten grotendeels ontkennen.
In het kader van recidivebeperking acht de reclassering het noodzakelijk om meer inzicht te krijgen in zijn psychosociaal functioneren - en de beperkingen die hieruit voortvloeien - om zo en daarmee tot een passend behandel- en begeleidingstraject te kunnen komen. De reclassering maakt zich echter wel zorgen om zijn (behandel)responsiviteit, omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is waardoor de mogelijkheid bestaat dat behandelresultaat uitblijft.
Het advies van de reclassering, zoals gewijzigd in het aanvullend rapport van 28 september 2025, is om een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, drugs- en alcoholverbod, dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening, een contactverbod ten aanzien van de aangeefster en haar vijf kinderen en een locatieverbod ten aanzien van Dordrecht (wel kan hij gebruik blijven maken van de snelweg A16 in beide richtingen) met elektronische monitoring. De reclassering adviseert deze voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is.
In het rapport van 28 september 2025 staat dat er geen haalbaarheidsonderzoek voor de elektronische monitoring heeft kunnen plaatsvinden, omdat de verdachte geen juiste contactgegevens heeft aangeleverd van degene bij wie hij na zijn detentie zou kunnen verblijven. Desondanks is heeft de reclassering in overleg met de collega’s die over de elektronische monitoring gaan besloten om, vanwege het gemiddelde tot hoge risico op recidive en de kans dat de verdachte het slachtoffer opnieuw zal opzoeken, toch te adviseren om een locatieverbod met elektronische monitoring op te leggen. Hiermee kan het slachtoffer volgens de reclassering de beste bescherming worden geboden. De verdachte dient wel een (verblijf)adres te hebben waar hij de band op kan laden en hij dient ten alle tijden telefonisch bereikbaar te zijn.
De reclassering adviseert om, indien de rechtbank geen locatieverbod met elektronische monitoring oplegt, een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen, met voornoemd contact- en locatieverbod, en ook deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Een straf gelijk aan het voorarrest (281 dagen), zoals de verdediging heeft verzocht, acht de rechtbank niet passend. Ondanks dat de rechtbank komt tot vrijspraak van een deel van de feiten, acht de rechtbank gelet op de ernst van de wel bewezen verklaarde feiten de door de officier van justitie geëiste straf passend. Daarom wordt een gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De gevangenisstraf wordt gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegd, omdat de psychiater en de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk achten. Van deze gevangenisstraf worden 12 maanden voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van 3 jaren, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit betreffen onder meer de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. Deze voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
Aan het locatieverbod zal elektronische monitoring door de reclassering voor de duur van 6 maanden worden gekoppeld, ter bescherming van het slachtoffer. Hierbij zal wel worden opgenomen dat deze voorwaarde alleen geldt, indien (blijkens een nog uit te voeren haalbaarheidsonderzoek) elektronische monitoring mogelijk blijkt, dus als is voldaan aan de voorwaarden die de reclassering heeft genoemd.
Gelet op het strafblad, het rapport van de psychiater en reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
Om strafbare feiten te voorkomen, wordt ook een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van 5 jaren. Deze maatregel houdt in:
  • een gebiedsverbod voor Dordrecht (wel kan hij gebruik blijven maken van de snelweg A16 in beide richtingen);
  • een contactverbod met de aangeefster en haar vijf kinderen.
Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van 2 weken, met een totale duur van maximaal 6 maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar, omdat er gelet op het strafblad, het rapport van de psychiater en reclasseringsrapport ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen ten aanzien van de aangeefster. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 45, 57, 285, 285b, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;
bepaalt dat
12 (twaalf) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op
3 jaren, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het
adres [adres] , [postcode] [plaats] ;
2. de verdachte zich laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de detentie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
3. de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de detentie of wanneer er een plek is voor de verdachte. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
4. de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) in de Opiumwet en alcohol gebruikt. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
5. de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding met een vaste structuur;
6. de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1980, en haar vijf kinderen, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
7. de verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in Dordrecht (wel kan hij gebruik blijven maken van de snelweg A16 in beide richtingen). De verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor een periode van 6 maanden of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. De verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat hij in Nederland blijft. Hij is ten alle tijden telefonisch bereikbaar voor de reclassering.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
geeft aan de reclassering opdracht gedurende maximaal de eerste 6 maanden van de proeftijd elektronisch toezicht te houden op de naleving van de onder nummer 7 genoemde bijzondere voorwaarde (het locatieverbod) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
legt de verdachte op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de
duur van 5 (vijf) jaren, inhoudende dat de verdachte wordt bevolen:
zich niet op te houden in Dordrecht, gedurende 5 jaren na heden (wel kan hij gebruik blijven maken van de snelweg A16 in beide richtingen);
zich te onthouden van direct of indirect contact met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1980, en diens vijf kinderen, gedurende 5 jaren na heden.
beveelt dat, voor het geval de verdachte niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op en zal in totaal ten hoogste zes maanden bedragen;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,
en mrs. M.J. C. Spoormaker en N.R. Rietveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De voorzitter en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 5 februari 2025 te Dordrecht,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
haar met zijn handen om haar keel heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of die keel (met kracht) heeft dichtgeknepen (gehouden),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 februari 2025 te Dordrecht,
[slachtoffer] heeft mishandeld door met zijn handen haar keel vast te pakken en/of vast te houden en/of die keel (met kracht) dicht te knijpen;
2
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 5 februari 2025 te Dordrecht,
althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:
  • zich meermaals, zonder toestemming, in de woning van die [slachtoffer] te bevinden en/of
  • zich voor/bij/rondom de woning en/of deur van die [slachtoffer] op te houden en/of bevinden en/of
  • veelvuldig berichten via WhatsApp naar die [slachtoffer] te sturen en/of
  • veelvuldig te bellen naar die [slachtoffer] ,
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 5 februari 2025 te Dordrecht, althans in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het dulden en/of dwingen van contact met hem, verdachte, door:
  • zich meermaals, zonder toestemming, in de woning van die [slachtoffer] te bevinden en/of
  • zich voor/bij/rondom de woning en/of deur van die [slachtoffer] op te houden en/of bevinden en/of
  • veelvuldig berichten via WhatsApp naar die [slachtoffer] te sturen en/of
  • veelvuldig te bellen naar die [slachtoffer] ;
3
hij op of omstreeks 5 februari 2025 te Dordrecht, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar tegen haar lichaam te duwen en/of in haar arm, althans lichaam, te bijten;
4
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2025 tot en met 5 februari 2025 te Dordrecht,
[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen:
- “ ik weet de drukpunten in jouw hart en nek en kan jou iets aan doen” en/of
- “ ik breek je benen en armen” en/of
- “ ik ga je vermoorden”,
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
5
hij op of omstreeks 1 februari 2025 te Dordrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/ of weggemaakt;
6
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot en met 31 december 2023 te Dordrecht, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar tegen haar ribben te stompen;