ECLI:NL:RBROT:2025:14910

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
11667005 CV EXPL 25-10145
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:225 BWArt. 7:248 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens huurachterstand en niet-naleving betalingsverplichtingen

De zaak betreft een geschil tussen Stichting Woonstad Rotterdam en een huurder die een huurachterstand heeft opgebouwd van €6.843,18. Woonstad eist betaling van de achterstand en ontbinding van de huurovereenkomst. Tijdens de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden om gedaagde de gelegenheid te geven schuldhulpverlening te starten en een voorstel te doen om ontbinding te voorkomen.

Ondanks deze uitstel heeft gedaagde geen concreet voorstel gedaan en is de lopende huur niet tijdig betaald. De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand ernstig genoeg is voor ontbinding, mede gelet op het feit dat gedaagde onvoldoende heeft meegewerkt aan schuldhulpverlening. De huurovereenkomst wordt ontbonden en gedaagde wordt veroordeeld de woning binnen veertien dagen te ontruimen.

Daarnaast moet gedaagde een gebruiksvergoeding betalen vanaf 1 december 2025 tot de ontruimingsdatum en wordt hij veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.670,95. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, zodat het direct kan worden uitgevoerd.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens huurachterstand en gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige huur, gebruiksvergoeding, proceskosten en ontruiming van de woning.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11667005 CV EXPL 25-10145
datum uitspraak: 5 december 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonstad Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Woonstad’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 4 april 2025, met bijlagen;
  • de aantekeningen van het antwoord van [gedaagde] van 1 mei 2025;
  • de e-mail van Woonstad van 31 juli 2025 met als bijlage een recente huurspecificatie;
  • de akte van Woonstad van 6 november 2025;
  • de aantekeningen van het antwoord van [gedaagde] van 6 november 2025.
1.2.
Op 7 augustus 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was namens de gemachtigde van Woonstad aanwezig: [persoon A] . [gedaagde] was met de heer [persoon B] (zijn begeleider van Humanitas) aanwezig. Ter zitting heeft de kantonrechter mevrouw [persoon C] van Geldplein telefonisch (op de luidspreker) gesproken.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt een woning van Woonstad. De huur is nu € 583,83 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. Woonstad eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen en de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 6.843,18 betalen
2.2.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 6.843,18 aan Woonstad te betalen. Uit het overzicht van Woonstad dat zij heeft overgelegd bij akte van 6 november 2025 blijkt dat dit de achterstand is tot en met november 2025. Voor zover [gedaagde] na 6 augustus 2025 nog betalingen heeft gedaan die niet in het overzicht van Woonstad zijn opgenomen, gaat de kantonrechter ervan uit dat (de gemachtigde van) Woonstad die in mindering zal brengen op de bedragen in dit vonnis.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.3.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet (steeds) heeft gedaan (artikel 6:265 BW Pro). Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat hij op 28 mei 2025 bij Geldplein is aangemeld. Het opstarten van de begeleiding is vertraagd omdat [gedaagde] zijn werk was kwijtgeraakt. Hij heeft nu weer werk, aldus [gedaagde] . Mevrouw [persoon C] van Geldplein heeft vervolgens telefonisch verklaard dat het inkomen nog niet stabiel was en dat daarom nog niets was opgestart. Vanwege drukte is niet te zeggen wanneer budgetbeheer kan worden opgestart en wanneer een voorstel aan de schuldeisers kan worden gedaan, aldus mevrouw [persoon C] tijdens de mondelinge behandeling.
2.4.
De zaak is vervolgens aangehouden tot 6 november 2025. Op die datum zouden partijen laten weten of de lopende huur is betaald en of er al een voorstel aan Woonstad is gedaan in het kader van schuldbemiddeling.
2.5.
Uit de akte van Woonstad van 6 november 2025 blijkt dat de lopende huur wel is voldaan maar (steeds) te laat. Budgetbeheer lijkt niet van de grond te zijn gekomen. Woonstad is in het ongewisse over de voortgang van de schuldhulpverlening.
2.6.
[gedaagde] heeft op de rolzitting van 6 november 2025 verklaard dat hij inkomen uit werk heeft en dat er afspraken worden gemaakt met de schuldeisers. [gedaagde] heeft niet weersproken dat er nog geen afspraak is gemaakt met Woonstad. Uit niets blijkt dat er (wel) al een voorstel is gedaan. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om uit te leggen waarom er nog geen voorstel aan Woonstad is gedaan en – in elk geval – Woonstad te houden van de voortgang van de schuldhulpverlening. Dat heeft hij niet gedaan en hij heeft ook geen concrete datum (in de nabije toekomst) genoemd waarop wel een voorstel gedaan zou kunnen worden.
2.7.
Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van de kantonrechter van Woonstad niet gevergd worden de huurovereenkomst te laten voortduren. De huurachterstand is ook ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. [1] De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat de minderjarige kinderen van [gedaagde] bij hun moeder wonen. Ook heeft de kantonrechter er rekening mee gehouden dat aan [gedaagde] extra tijd is gegund om schuldhulpverlening op te starten maar dat dit tot nu toe nog niet heeft geleid tot een concreet voorstel. Misschien dat het partijen na dit vonnis wel lukt om alsnog goede, haalbare en definitieve afspraken te maken, maar daar kan de kantonrechter niet op vooruit lopen en zij kan die afspraken ook niet opleggen. De kantonrechter heeft er nota van genomen dat Woonstad bij akte van 6 november 2025 heeft toegezegd dat zij een toewijzend vonnis niet ten uitvoer zal leggen zo lang [gedaagde] de lopende huur tijdig betaalt en er alsnog binnen drie maanden na 6 november 2025 een redelijk afbetalingsvoorstel wordt gedaan door schuldhulpverlening.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.8.
Omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 583,83 per maand betalen (artikel 7:225 BW Pro). Woonstad heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor de rest van die maand. Dat gedeelte van de eis wordt daarom afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW Pro) als voor het verhogen van de huur.
[gedaagde] moet rente betalen
2.9.
De rente wordt toegewezen, omdat Woonstad genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan Woonstad moet betalen de rente van € 0,87 die Woonstad heeft berekend tot 4 april 2025.
Geen oneerlijke bepalingen
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Woonstad moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 543,00 aan griffierecht, € 847,50 aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punt x € 339,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.670,95. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonstad dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonstad te betalen € 6.484,05 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 5.315,69 vanaf 4 april 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis de woning aan de [adres] in Rotterdam ( [postcode] ) te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonstad te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 december 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Woonstad te betalen € 583,83 per maand met de verhoging die is toegestaan;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad worden begroot op € 1.670,95;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
62574

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810