ECLI:NL:RBROT:2025:14912

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
83-384326-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24a SrArt. 51 SrArt. 2.2 Wet dierenArt. 2.3 Wet dieren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling maatschap voor onvoldoende zorg runderen door smalle looppaden, kleine ligboxen en mestvervuiling

De rechtbank Rotterdam heeft op 17 december 2025 een maatschap veroordeeld wegens het overtreden van verschillende voorschriften van de Wet dieren. De maatschap had haar runderen onvoldoende verzorging gegeven doordat de looppaden en doorgangen te smal waren, de ligboxen te klein en de roostervloeren vervuild met natte mest en mestophopingen. Hierdoor konden de runderen zich niet vrij verplaatsen, wat leidde tot onnodig lijden en letsel.

De officier van justitie had een geldboete van €2.500,- en een voorwaardelijke stillegging geëist, maar de rechtbank legde een hogere boete van €5.000,- op zonder stillegging vanwege reeds lopende proeftijd en genomen verbetermaatregelen. De maatschap werd partieel vrijgesproken voor het feit dat vijf kalveren geen toegang hadden tot water.

De rechtbank baseerde haar oordeel op inspecties en proces-verbaal, waarbij werd vastgesteld dat de situatie niet slechts een momentopname was, maar een structureel probleem. De maatschap stond onder verscherpt toezicht en had eerder soortgelijke overtredingen begaan. De rechtbank hield rekening met de bedrijfsomstandigheden en genomen verbeteringen, maar benadrukte de ernst van de overtredingen.

Uitkomst: De maatschap is veroordeeld tot een geldboete van €5.000,- wegens het opzettelijk onthouden van de nodige verzorging aan runderen.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige economische kamer strafzaken
Parketnummer: 83-384326-24
Datum uitspraak: 17 december 2025
Datum zitting: 3 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte 1] en [verdachte 2] ,
opgericht als maatschap op 1 april 2007,
ingeschreven in de Kamer van Koophandel op het adres:
[adres] , [postcode] in [plaats] ,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door [verdachte 1] .
Het betreft hier een maatschap. Een maatschap is geen rechtspersoon, maar wordt op grond van artikel 51, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht voor de toepassing van de artikelen 51, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht hiermee gelijkgesteld. In dit vonnis wordt de ‘verdachte rechtspersoon’ dan ook aangeduid als verdachte.
Advocaat van de verdachte: mr. P.G. Grijpstra
Officier van justitie: mr. J.A. Bekke

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij – samengevat – onvoldoende zorg heeft gedragen voor de in haar landbouwbedrijf aanwezige runderen.
De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat:
zij op of omstreeks 17 september 2024 te Ooltgensplaat, gemeente Goeree-Overflakkee, althans in Nederland, als houder van één of meer runderen, al dan niet opzettelijk, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers
A
heeft verdachte de bewegingsvrijheid van één of meer dier(en) op zodanige wijze beperkt dat de/het dier(en) daardoor onnodig lijden of letsel werd toegebracht en/of onvoldoende ruimte gelaten voor de fysiologische en ethologische behoeften van de/het dier(en), aangezien
- één of meer runderen door de smalle looppaden en doorgangen zich niet vrij konden verplaatsen naar de drinkbakken, vreetplaatsen en ligplekken, en/of
- de ligboxen te klein waren ten opzichte van het formaat van de runderen en/of
B
heeft verdachte er geen zorg voor gedragen dat één of meer dier(en) toegang had(den) tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kon voldoen, aangezien
- 5 kalveren, althans één of meer runderen in de iglo’s geen beschikking hadden tot water, en/of
heeft verdachte er geen zorg voor gedragen dat één of meer dier(en) een toereikende behuizing hadden onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien
- een gedeelte van de roostervloeren in de ligboxenstal vervuild waren met natte mest, en/of
- aan de randen van de roostervloer bij de ligboxen ophopingen van mest lagen,
zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën werden gehouden.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het onvoldoende zorg dragen voor de in haar landbouwbedrijf aanwezige runderen, met uitzondering van het geen zorg dragen voor toegang tot een toereikende hoeveelheid water voor vijf kalveren. De verdachte moet daarvan partieel worden vrijgesproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Partiële vrijspraak
De beschuldiging ten aanzien van het geen zorg dragen voor toegang tot een toereikende hoeveelheid water voor vijf kalveren is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus partieel vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
2.3.2.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte haar runderen opzettelijk de nodige verzorging heeft onthouden doordat de looppaden en doorgangen te smal waren, de ligboxen te klein en de roostervloeren in en bij de ligboxen vervuild waren met natte mest en ophopingen van mest. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte [2]
Het klopt dat er op 17 september 2024 natte mest en ophopingen van mest lagen op de roostervloer. Ik ben het er wel mee eens dat, op het moment van de inspectie, de ligboxen te klein waren voor een deel van de runderen.
2.
Proces-verbaal van de politie [3]
Op 17 september 2024 bevonden wij ons op het erf van de maatschap [verdachte 1] en [verdachte 2] op het adres [adres] te [plaats] .
Wij zagen dat als de runderen stonden te vreten aan het voerhek er in het looppad erg weinig
ruimte was tussen deze koeien en de rij ligboxen hierachter. Wij zagen dat de runderen zich
hier niet vrij konden verplaatsen of elkaar passeren. Wij zagen dat de doorgangen tussen deze looppaden ook erg smal waren. Ook zagen wij dat in deze doorgangen waterbakken voor de runderen waren geplaatst. Hierdoor blokkeren runderen die staan te drinken de doorgang voor de andere runderen. Door deze smalle looppaden en doorgangen kunnen runderen zich niet vrij verplaatsen naar de drinkbakken, vreetplaatsen en ligplekken. Runderen kunnen elkaar hierdoor niet ontwijken en vluchten, wat agressie en stress veroorzaakt en vooral bij de ranglagere dieren veroorzaakt dat ze onvoldoende hun vreet, drink en rustplek kunnen bereiken.
Wij zagen dat de ligboxen in deze stal klein waren ten opzichte van het formaat van de runderen. Wij zagen dat meerdere runderen scheef in de ligboxen gingen liggen of met hun achterhand over de achterrand van de box heen lagen. Wij zagen dat de runderen ook niet met 4 poten op een natuurlijke wijze in de ligboxen stonden. De runderen stonden met hun achterpoten buiten de box of met de achterpoten ver onder zich getrokken. Het is ons bekend dat dit belastend is voor de gewrichten. Wij zagen dat runderen bij het opstaan hard tegen de boxafscheidingen aanbotsten en schuurden. Wij zagen dat er bij de ligboxen die tegen de muur geplaatst waren vóór het ligbed geen ruimte was voor de kop van de runderen. Wij zagen dat de runderen bij het liggen hun kop schuin in de naastgelegen box staken. De runderen kunnen hierdoor bij het gaan staan en gaan liggen niet de natuurlijke uitzwaaibeweging met de kop naar voren maken. Het is ons bekend dat dit uitzwaaien van de kop dient als contragewicht bij het opdrukken van het achterlijf met de achterpoten. Hoe moeilijker het opstaan hoe meer belastend dit is voor het rund met stress en meer blessures als gevolg. Wij zagen verwondingen bij vrijwel alle runderen in deze stal. Wij zagen verwondingen variërend van schaafplekken tot open wonden, al dan niet met verdikking van huid en gewrichten, aan hakken en knieën. Het is ons bekend dit soort verwondingen naast het materiaal van het ligbed, vooral veroorzaakt worden door een niet juiste maatvoering en afstelling van de ligboxen. Ook zagen wij runderen met verwondingen op hun rug, kennelijk veroorzaakt door het aanbotsen tegen de boxafscheidingen en schoftbomen.
Wij zagen dat runderen niet voldoende ruimte werd gelaten voor hun fysiologische en ethologische behoeften.
Wij zagen bij het betreden van de ligboxenstal dat een gedeelte van de roostervloeren, links van het voerhek, erg vies waren van de natte mest. Aan de mate van bevuiling van sommige gedeelten roostervloer zagen wij dat de mest hier kennelijk al langdurig niet van de roostervloer geschoven was. Wij zagen dat de doorgangen tussen de ligboxen en enkele hoeken erg vies bleven met veel opgehoopte en aangekoekte mest. Wij zagen dat veel runderen met mest besmeurde klauwen en onderpoten hadden. Wij zagen dat dieren niet een toereikende behuizing hadden onder voldoende hygiënische omstandigheden.
2.3.3.
Bewijsmotivering
De verdediging heeft aangevoerd dat sprake was van een momentopname. De rechtbank ziet echter geen reden om te twijfelen aan de gedetailleerde bevindingen van de toezichthouders over de bevuiling bij en in de ligboxen en de grootte van de looppaden, doorgangen en ligboxen. Bovendien is inherent aan een inspectie dat dit een momentopname betreft. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat dit niet de eerste keer was dat de inspectie dergelijke of soortgelijke bevindingen deed over het landbouwbedrijf van de verdachte.
Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte geen overtreding heeft begaan, vindt dit standpunt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. De Beschuldiging zal dan ook zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
2.3.4.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
zij op 17 september 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , als houder van runderen, opzettelijk aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers
A
heeft verdachte de bewegingsvrijheid van dieren op zodanige wijze beperkt dat de dieren daardoor onnodig lijden of letsel werd toegebracht en onvoldoende ruimte gelaten voor de fysiologische en ethologische behoeften van de dieren, aangezien
- runderen door de smalle looppaden en doorgangen zich niet vrij konden verplaatsen naar de drinkbakken, vreetplaatsen en ligplekken, en
- de ligboxen te klein waren ten opzichte van het formaat van de runderen en
B
heeft verdachte er geen zorg voor gedragen dat dieren een toereikende behuizing hadden onder voldoende hygiënische omstandigheden, aangezien
- een gedeelte van de roostervloeren in de ligboxenstal vervuild waren met natte mest, en
- aan de randen van de roostervloer bij de ligboxen ophopingen van mest lagen,
zulks terwijl voornoemde overtredingen plaatsvonden in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën werden gehouden.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2, tiende lid onderdeel d van de Wet dieren, terwijl deze overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een geldboete van € 2.500,- en de voorwaardelijke stillegging van de verdachte voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de onderliggende zwerfstroomproblematiek en de (financiële) gevolgen daarvan op de dagelijkse bedrijfsvoering, met het feit dat de verdachte regelmatig te grote dieren heeft afgevoerd, met het feit dat slechts bij een beperkt aantal dieren sprake was van een overtreding en met de positieve uitslag van een recente controle op 1 december 2025.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft - kort gezegd - onvoldoende zorg gedragen voor de in haar landbouwbedrijf aanwezige runderen, terwijl het bedrijf onder verscherpt toezicht stond. Bij de controle constateerden de toezichthouders dat de runderen zich niet vrij konden verplaatsen naar de drinkbakken, vreetplaatsen en ligplekken door de smalle looppaden en doorgangen. Ook constateerden de toezichthouders dat de ligboxen te klein waren ten opzichte van het formaat van de runderen. Daarnaast was een gedeelte van de roostervloer bij de ligboxenstal vervuild met natte mest en ophopingen van mest. De toezichthouders constateerden tenslotte dat vrijwel alle runderen verwondingen en besmeurde klauwen en onderpoten hadden. Gelet op het voorgaande heeft de verdachte de op haar rustende zorgplicht uit het Besluit houders van dieren geschonden. Dit valt haar aan te rekenen, gelet op de op haar rustende verantwoordelijkheid en zorgplicht.
4.3.2.
Bedrijfsomstandigheden van de verdachte
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 25 april 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De verdachte is op 13 februari 2025 veroordeeld, voor het overtreden van de Wet dieren op 18 juli 2023, tot een voorwaardelijke geldboete met een proeftijd van 2 jaren.
Overige bedrijfsomstandigheden
De verdachte staat onder verscherpt toezicht. De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat regelmatig controles plaatsvinden en dat de maatschap op 1 december 2025 nog gecontroleerd en goedgekeurd is. Daarnaast is naar voren gekomen dat de verdachte heeft geïnvesteerd in haar bedrijfsvoering om het dierenwelzijn te verbeteren. Zo zijn er meer medewerkers werkzaam, zijn de ligboxen hoger gemaakt, wordt er door middel van het fokprogramma geselecteerd op kleinere runderen en is de veestapel verkleind. Op termijn zal ook de indeling van de stal worden veranderd om zo de bewegingsvrijheid van de runderen te kunnen vergroten. Tenslotte is door de verdediging gewezen op de beperkte draagkracht van de verdachte.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de aard en ernst van het strafbare feit, de bedrijfsomstandigheden en de draagkracht van de verdachte legt de rechtbank een geldboete van € 5.000,- op. De verdachte mag deze geldboete in 5 maandelijkse termijnen van € 1.000,- betalen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijke straf, nu de verdachte al in een proeftijd loopt en er positieve maatregelen zijn en worden genomen die het risico op recidive nu en in de toekomst verlagen. Dat betekent dat de rechtbank zal afzien van de gevorderde voorwaardelijke stillegging, maar om de ernst van het feit te benadrukken zal zij een hogere boete opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 23, 24a en 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wet dieren, de artikelen 1.6 en 1.7 Besluit houders van dieren en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

6.Beslissingen

De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
geldboete van € 5.000,- [vijfduizend euro];
bepaalt dat de
geldboetein 5 termijnen van
€ 1.000,- per maandmag worden voldaan.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. van den Heuvel, voorzitter,
en mrs. A.S. Flikweert en I. Tillema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 17 december 2025.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier.
2.Verklaard tijdens de zitting van 3 december 2025.
3.Bijlage 5 bij het proces-verbaal met nummer [nummer proces-verbaal] , pagina’s 29 t/m 31.