In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 8 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een eiseres en een gedaagde, waarbij de eiseres vorderde dat de gedaagde de door hem gehuurde woning zou ontruimen. De eiseres stelde dat de gedaagde niet zijn hoofdverblijf in de woning had en dat hij tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst door de woning niet voldoende te stofferen en te meubileren. De gedaagde betwistte deze claims en voerde aan dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf in de woning had, ondanks dat hij vanwege zijn werk vaak in het buitenland verblijft. De kantonrechter heeft de vordering van de eiseres afgewezen, omdat niet voldoende aannemelijk was gemaakt dat de gedaagde niet zijn hoofdverblijf in de woning had. De kantonrechter oordeelde dat de tekortkoming in de huurovereenkomst, namelijk het niet voldoende stofferen en meubileren van de woning, niet van zodanige aard was dat dit tot ontruiming moest leiden. De rechter weegt de belangen van beide partijen en concludeert dat het belang van de gedaagde bij het behoud van de woning zwaarder weegt dan het belang van de eiseres bij ontruiming. De eiseres werd bovendien veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde, die op € 949,00 werden begroot.