ECLI:NL:RBROT:2025:14920

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
ROT 23/6998
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake handhavingsverzoek tegen college van burgemeester en wethouders van Molenlanden

In deze tussenuitspraak van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 15 december 2025, wordt het handhavingsverzoek van eiser, wonende te Groot-Ammers, tegen het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden behandeld. Eiser had op 2 juni 2022 een verzoek om handhaving ingediend, omdat hij meende dat [afkorting naam belanghebbende] in strijd met het bestemmingsplan een bedrijf exploiteert op de locatie te Groot-Ammers. Het college heeft dit verzoek op 29 september 2022 afgewezen, met als argument dat er concreet zicht op legalisatie was. Eiser ging hiertegen in beroep, maar het college handhaafde zijn standpunt in het bestreden besluit van 19 september 2023. De rechtbank heeft de zaak op 18 november 2025 behandeld, waarbij eiser niet ter zitting kon verschijnen maar wel een pleitnotitie indiende. De rechtbank oordeelt dat de belangen van eiser onvoldoende zijn meegewogen in de besluitvorming van het college. De rechtbank constateert dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank geeft het college de gelegenheid om het gebrek in het besluit te herstellen binnen acht weken.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/6998
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats 1] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden, het college

(gemachtigde: mr. J.C. Tebrugge en mr. N.C. Correa, werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam belanghebbende] .uit [plaats 2] ( [afkorting naam belanghebbende] ), belanghebbende,
(gemachtigde: mr. A. Danopoulos).

Procesverloop

1. Met het besluit van 29 september 2022 (het primaire besluit) heeft het college eisers handhavingsverzoek van 2 juni 2022 afgewezen.
2. Met het bestreden besluit van 19 september 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij het primaire besluit gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [afkorting naam belanghebbende] heeft ook schriftelijk gereageerd.
4. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting de rechtbank meegedeeld dat hij verhinderd is om ter zitting te verschijnen. Eiser heeft daarom een pleitnotitie ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. N.C. Correa bijgestaan door [persoon A] (inspecteur bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid) en de gemachtigde van [afkorting naam belanghebbende] bijgestaan door [persoon B] (milieu adviseur bij [afkorting naam belanghebbende] ) en [persoon C] (algemeen directeur [afkorting naam belanghebbende] ).

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
6. Eiser woont op het perceel [adres 1] te Groot-Ammers . [afkorting naam belanghebbende] is gevestigd op de locatie [adres 2] te Groot-Ammers (de locatie). [afkorting naam belanghebbende] is een bouwer van gecertificeerde RVS tanks, drukvaten en installaties op maat voor de opslag/handling van alle soorten vloeistoffen voor klanten wereldwijd en verzorgt het gehele proces van ontwerp tot het transport van het product. Eiser heeft op 2 juni 2022 een verzoek om handhaving ingediend. Eiser is van mening dat [afkorting naam belanghebbende] in strijd met het bestemmingsplan een bedrijf exploiteert op de locatie.
7. Bij het primaire besluit heeft het college het verzoek van eiser om handhaving afgewezen, omdat sprake is van concreet zicht is op legalisatie. De activiteiten van [afkorting naam belanghebbende] zijn in strijd met de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Liesveld’ en ‘Dijkverzwaren Liesveld’. Op grond van de bestemmingsplannen is op de locatie een scheepswerf of een bedrijf dat valt onder ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. [afkorting naam belanghebbende] valt onder categorie 5.1. Op 31 maart 2020 is het ontwerpbestemmingsplan ‘Geluidzone Industrieterrein Langs de Lek, Groot-Ammers’ ter inzage gelegd. Op 27 mei 2022 is het ontwerpbestemmingsplan ‘Scheepswerf Brickwave Gelkenes’ ter inzage gelegd. Met voornoemde ontwerpbestemmingsplannen worden de illegale activiteiten van [afkorting naam belanghebbende] juridisch mogelijk gemaakt. Er is volgens het college dus sprake van een concreet zicht op legalisatie. Voorts stelt het college dat [afkorting naam belanghebbende] zich moet houden aan het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit) en de Activiteitenregeling.
8. Eiser kon zich met het primaire besluit niet verenigen en heeft daarom bezwaar ingediend tegen het primaire besluit.
9. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser heeft de Advies commissie bezwaarschriften van de gemeente Molenlanden (de bezwaarschriftencommissie) op 17 januari 2023 een hoorzitting gehouden. De bezwaarschriftencommissie heeft vervolgens op 13 maart 2023 een advies uitgebracht, waarin geadviseerd is het bezwaar van eiser gegrond te verklaren maar het primaire besluit in stand te laten onder aanvulling van de motivering.
10. Bij het bestreden besluit heeft het college het advies van de bezwaarschriftencommissie gevolgd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten onder aanvulling van de motivering. Er is volgens het college geen sprake van een vergunningplicht omdat de productieoppervlakte niet groter is dan 2.000 m². Verder heeft het college een belangenafweging gemaakt tussen enerzijds het algemeen belang dat is gediend met handhavend optreden en het bijzonder belang van eiser en anderzijds het belang van [afkorting naam belanghebbende] en het beleid van de gemeente Molenlanden.
Toetsingskader
11. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving is ingediend op 2 juni 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
11.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Overtreding
12. Eiser stelt zich op het standpunt dat er wel sprake is van een overtreding. De bedrijfsactiviteiten van [afkorting naam belanghebbende] zijn in strijd met het bestemmingsplan en dus illegaal. Daarnaast beschikt [afkorting naam belanghebbende] ten onrechte niet over een vestigingsvergunning en een milieuvergunning. Eiser stelt zich op het standpunt dat het productieoppervlak groter is dan 2.000 m² en [afkorting naam belanghebbende] daarom vergunningplichtig is op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 1.1, eerste lid en Bijlage I, onderdeel C, categorie 12.2, onder f, van het Besluit omgevingsrecht (het Bor).
13. De rechtbank stelt voorop dat een bestuursorgaan alleen bevoegd is om handhavend op te treden als sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Is daarvan geen sprake, dan bestaat geen bevoegdheid tot het aanwenden van bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten. Is wel sprake van een overtreding dan moeten bestuursorganen in beginsel handhavend optreden, tenzij sprake is van een concreet zicht op legalisatie of handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding met de te dienen belangen.
14. In beroep ligt het bestreden besluit voor en niet het primaire besluit. Dat betekent dat de rechtbank moet toetsen of het college ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bevoegd was om handhavend op te treden. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de activiteiten van [afkorting naam belanghebbende] ten tijde van het bestreden besluit in strijd waren met de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Liesveld’ en ‘Dijkverzwaren Liesveld’. De bedrijfsactiviteiten van [afkorting naam belanghebbende] zijn geen scheepswerfactiviteiten zodat [afkorting naam belanghebbende] niet onder de functieaanduiding’ specifieke vorm van bedrijf – scheepswerf’ valt. Daarnaast zijn op grond van artikel 4.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan ‘Dijkverzwaren Liesveld’ en artikel 5.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’ de voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een bedrijf uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Tussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsactiviteiten van [afkorting naam belanghebbende] een milieucategorie 5.1 betreffen en niet een bedrijf uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten is. Naar het oordeel van de rechtbank was het college op dit punt daarom bevoegd om handhavend op te treden.
15. Ten aanzien van de stelling van eiser dat [afkorting naam belanghebbende] vergunningplichtig is, overweegt de rechtbank als volgt.
15.1.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit, het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van Bijlage I van het Bor worden als categorieën inrichtingen als bedoel in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de categorieën inrichtingen in bijlage 1, onderdeel B en onderdeel C.
Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van Bijlage I van het Bor worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B en onderdeel C.
Op grond van onderdeel C, categorie 12,2 onder f, van Bijlage I van het Bor behoren tot deze categorie inrichtingen, inrichtingen voor het produceren, renoveren, of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan 2.000 m² of meer bedraagt.
15.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een vergunningplicht omdat de productieoppervlakte kleiner is dan 2.000 m². Uit het controleverslag van 20 januari 2023 volgt dat [persoon A] (inspecteur bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid) een controle heeft uitgevoerd bij [afkorting naam belanghebbende] . Uit die controle volgt dat op het moment van de controle [afkorting naam belanghebbende] één hal met een oppervlakte van 1.390 m² in gebruik heeft. Hierdoor is het productieoppervlak kleiner dan 2.000 m². Daarnaast is er een controle uitgevoerd op het buitenterrein. Het oppervlak van het buitenterrein bedraagt 8.800 m². Er is geconstateerd dat op het buitenterrein grond- en hulpstoffen, halffabricaten aangevoerd en opgeslagen en gereed product wordt opgeslagen. Tijdens de controle is geconstateerd dat [afkorting naam belanghebbende] gereedstaande tanks en veel materialen op het buitenterrein heeft staan en dat er personen bezig waren om de laatste werkzaamheden aan twee zogenaamde tenten uit te voeren. Het bleef onduidelijk wat [afkorting naam belanghebbende] precies zou gaan uitvoeren in de tenten. Volgens [persoon D] (vestigingsmanager bij [afkorting naam belanghebbende] ) wordt op het buiterrein alleen geproduceerde tanks onder druk gezet en gevuld met water en worden de tanks gereed gemaakt voor vervoer. Tijdens de controle is niet geconstateerd dat er werkzaamheden aan tanks worden uitgevoerd.
15.3.
Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het controleverslag van 23 januari 2023. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich met het controleverslag van 20 januari 2023 op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van een overtreding van een vergunningplicht. Er is niet geconstateerd dat het productieoppervlak groter is dan 2.000 m² en dat [afkorting naam belanghebbende] een type C inrichting die vergunningplichtig is. Naar het oordeel van de rechtbank was het college op dit punt dan ook niet bevoegd om handhavend op te treden. De stelling van eiser dat het productieoppervlak groter is dan 2.000 m² is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De door eiser overgelegde foto’s in beroep zijn daartoe niet voldoende. Bovendien zijn de door eiser overgelegde foto’s niet gedateerd waardoor de rechtbank niet kan beoordelen of deze foto’s zijn genomen voor de beslissing of bezwaar of daarna. De rechtbank neemt hierbij verder nog in aanmerking dat de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid naar aanleiding van foto’s ingestuurd door omwonenden op 8 november 2023 een (onaangekondigde) controle heeft gedaan bij [afkorting naam belanghebbende] . Er is toen door de toezichthouder niet geconstateerd dat er meer dan 2.000 m² aan productieoppervlak werd gebruikt.
Beginselplicht tot handhaving
16. Het college heeft een beginselplicht tot handhaving. Dit betekent dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in de concrete situatie behoort te worden afgezien.
Concreet zicht op legalisatie
17. Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder dat van handhaving kan worden afgezien omdat er concreet zicht op legalisatie is. Tegen de ontwerpbestemmingsplannen heeft eiser, maar ook omwonenden, zienswijzen ingediend. Daarnaast wordt de behandeling van het ontwerpbestemmingsplan ‘Scheepswerf Brickwave Gelkenes’ steeds uitgesteld.
18. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1258) volgt dat voor het antwoord op de vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat, moet worden gekeken naar de feiten en omstandigheden ten tijde van de besluitvorming. Om een concreet zicht op legalisatie in verband met de herziening van een bestemmingsplan aan te kunnen nemen, is ten minste vereist dat een ontwerp van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, waarbinnen het gebruik van de betreffende percelen, waar het handhavingsverzoek op ziet, past. Uitzondering hierop is dat, als op voorhand duidelijk is dat het ontwerp geen rechtskracht zal verkrijgen, geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.
18.1.
Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat op 31 maart 2022 het ontwerpbestemmingsplan ‘Geluidzone Industrieterrein Langs de Lek, Groot-Ammers’ voor de duur van zes weken ter inzage heeft gelegen. Met dit bestemmingsplan werd de geluidzonering gecorrigeerd (het herstellen van de geluidzone overeenkomstig Koninklijk Besluit van 14 augustus 1990) en geborgd, zodat het gehele buitendijkse industrieterrein opnieuw planologisch werd bestemd voor bedrijven in de hogere milieucategorieën. Waaronder milieucategorie 5.1. Evenmin is in geschil dat vanaf 27 mei 2022 tot en met 7 juli 2022 het ontwerpbestemmingsplan ‘Scheepswerf Brickwave, Gelkenes’ ter inzage heeft gelegen. Met dit bestemmingsplan worden tank- en metaalconstructiebedrijven met een milieucategorie 5.1 uitdrukkelijk toegestaan. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat vanwege de terinzagelegging van de ontwerpbestemmingsplannen concreet zicht op legalisatie bestaat. Dat eiser en omwonenden zienswijzen hebben ingediend leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat er daarom geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Ook de stelling van eiser dat het ontwerpbestemmingsplan ‘Scheepswerf Brickwave Gelkenes’ steeds wordt uitgesteld, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat op voorhand duidelijk was dat de ontwerpbestemmingsplannen geen rechtskracht zou verkrijgen. De rechtbank stelt verder nog vast dat op 4 juli 2023 het paraplubestemmingsplan ‘Geluidzone industrieterrein Langs de Lek, Groot-Ammers’ is vastgesteld en op 12 december 2023 is het bestemmingsplan ‘Scheepswerf Brickwave, Gelkenes’ vastgesteld.
Belangenafweging
19. Eiser heeft zich verder nog op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en dat sprake is van een onveilige situatie op het terrein van [afkorting naam belanghebbende] . Eiser heeft verder in zijn pleitnotitie nog aangevoerd dat [afkorting naam belanghebbende] ernstige overlast veroorzaakt. Er is sprake van geluidsoverlast door slijpgeluid en metaal slagen en er wordt onvoorzichtig omgegaan met gevaarlijke stoffen. Eiser voelt zich niet veilig en stelt dat zijn woonomgeving wordt verstoord.
19.1.
In het bestreden besluit staat dat het college een belangenafweging heeft gemaakt tussen enerzijds het algemeen belang dat is gediend met handhavend optreden en het bijzonder belang van eiser en anderzijds het belang van [afkorting naam belanghebbende] en het beleid van de gemeente Molenlanden. Van handhavend optreden mag worden afgezien als er sprake is van concreet zicht op legalisatie. Hiervan is sprake omdat twee ontwerpbestemmingsplannen ter inzage zijn gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Industrieterrein Geluidzone Langs de Lek Groot-Ammers’ is op 4 juli 2023 vastgesteld. Voorts kan worden afgezien van handhavend optreden als het handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Het college stelt dat het gebied een industrieterrein is en juist is bedoeld voor ‘grote lawaaimakers’ en daarvoor in het verleden is aangewezen bij Koninklijk Besluit (KB). Het (ontwerp)bestemmingsplan ‘Geluidzone industrieterrein Langs de Lek’ vormt een reparatie van het vigerende bestemmingsplan qua geluidzone, terwijl het KB nog steeds van kracht is. Verder is op grond van het vigerende bestemmingsplan op hetzelfde terrein reeds milieucategorie 5.1 mogelijk en de aanduiding ‘scheepswerf’ geldt voor het gehele terrein. Tot 2018 was op de locatie een bedrijf met milieucategorie 5.1 gevestigd. Binnen de geluidzone zit ook een betoncentrale met een milieucategorie 5.1. [afkorting naam belanghebbende] is sinds 2019 gevestigd op de locatie en heeft in afwachting van de verdere (milieu-) vergunningprocedures een loods buiten gebruik gesteld zodat het Activiteitenbesluit van toepassing is. Omdat het Activiteitenbesluit van toepassing is, is een duidelijke set milieuregels van toepassing. Voorts stelt het college dat er geen sprake is van een handhavingstraject met een lange overlast- en handhavingsgeschiedenis. Op 20 januari 2023 heeft er nog een controle plaatsgevonden bij [afkorting naam belanghebbende] en daaruit is geen strijd met het Activiteitenbesluit geconstateerd. Het college stelt zich op het standpunt dat de huidige situatie voldoende aanvaardbaar is en de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad door in de huidige situatie in afwachting van de vaststelling van de bestemmingsplannen af te zien van handhaving.
19.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank is de door het college gemaakte belangenafweging vooral een opsomming van regels en redenen waarom [afkorting naam belanghebbende] binnen de bestemming past. Uit de belangenafweging volgt niet wat de belangen van eiser zijn en hoe deze zijn afgewogen door het college. Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat de belangen van eiser niet zodanig in het bestreden besluit zijn opgenomen. Het college heeft verwezen naar de aanvullende reactie van het college na de hoorzitting in bezwaar. De rechtbank stelt vast dat uit het advies van de bezwaarschriftencommissie volgt dat na de hoorzitting met partijen is afgesproken dat de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid op basis van een recente controle onderzoek heeft gedaan naar het productieoppervlak. Uit het dossier volgt dat de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid op 31 januari 2023 nadere stukken heeft overgelegd die zien op het productieoppervlak van [afkorting naam belanghebbende] . Op 9 februari 2023 heeft eiser daar een reactie op ingediend en op 20 februari 2023 heeft [afkorting naam belanghebbende] gereageerd. Van een aanvullende reactie van het college na de hoorzitting waaruit een belangenafweging zou volgen is de rechtbank niet gebleken. Nu de belangen van eiser onvoldoende zijn meegewogen in de belangenafweging is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Conclusie en gevolgen

Bestuurlijke lus
20. Zoals hiervoor onder 19.2 is overwogen is, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
21. Om de gebreken te herstellen, moet het college een belangenafweging maken waaruit volgt dat de belangen van eiser zijn meegewogen. De rechtbank verwijst voor de belangen van eiser naar rechtsoverweging 19. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
22. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank meedelen of zij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
23. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
 draagt het college op de rechtbank binnen twee weken mee te delen of zij gebruik maakt van de gelegenheid het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen;
 stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze tussenuitspraak;
 houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit, het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk.
Besluit omgevingsrecht (Bor)
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van Bijlage I van het Bor worden als categorieën inrichtingen als bedoel in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de categorieën inrichtingen in bijlage 1, onderdeel B en onderdeel C.
Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van Bijlage I van het Bor worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B en onderdeel C.
Op grond van onderdeel C, categorie 12,2 onder f, van Bijlage I van het Bor behoren tot deze categorie inrichtingen, inrichtingen voor het produceren, renoveren, of schoonmaken van metalen ketels, vaten, tanks of containers en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan 2.000 m² of meer bedraagt.
Bestemmingsplan Buitengebied Liesveld
De locatie is gesitueerd in het bestemmingsplan Buitengebied Liesveld en heeft hierin de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Waarde-Archeologie-4’, ‘Waterstaat-Waterkering’ en ‘Waterstaat-Stroomvoerend rivierbed’. Daarnaast geldt de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van bedrijf – scheepswerf’ en ‘bedrijfswoning uitgesloten’. Ook geldt er een gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’.
Op grond van artikel 5.1, onder a, van de planregels zijn de voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een bedrijf uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.
Op grond van artikel 5.1, onder m, van de planregels zijn de voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden bestemd voor ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - scheepswerf'; een scheepswerf.
Bestemmingsplan Dijkverzwaren Liesveld
De locatie is ook gesitueerd in het bestemmingsplan
Dijkverzwaren Liesvelden heeft hierin de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Waarde-Archeologie-4’, en ‘Waterstaat-Stroomvoerend rivierbed’. Daarnaast geldt de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van bedrijf – scheepswerf’ en ‘bedrijfswoning uitgesloten’. Ook geldt er een gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’.
Op grond van artikel 4.1, onder a, van de planregels zijn de voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een bedrijf uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.
Op grond van artikel 4.1, onder d, van de planregels zijn de voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden bestemd voor ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - scheepswerf'; een scheepswerf.