Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1] ,
2.[gedaagde 2] ,
3.[gedaagde 3] ,
1.De procedure
- de dagvaarding van 19 maart 2025, met bijlagen;
- het antwoord van [gedaagde 1] , met bijlagen;
- de twee e-mails van Woonstad met aanvullende bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een huurzaken tussen Stichting Woonstad Rotterdam en [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. De eiseres, Woonstad, heeft de huurovereenkomst met [gedaagde 1] ontbonden op basis van de stelling dat [gedaagde 1] niet haar hoofdverblijf had in de gehuurde woning aan de [adres 1] in Rotterdam. Woonstad heeft geconstateerd dat de woning in gebruik was gegeven aan derden, namelijk de kleinzoon van [gedaagde 1] en diens vriendin. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [gedaagde 1] onvoldoende bewijs heeft geleverd dat zij wel degelijk haar hoofdverblijf in de woning had. De rechter heeft de ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd, omdat [gedaagde 1] tekort is geschoten in haar verplichtingen volgens de algemene voorwaarden van de huurovereenkomst. De rechter heeft ook geoordeeld dat de gedaagden de woning moeten ontruimen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. Daarnaast zijn de gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan Woonstad, die zijn begroot op € 487,41. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het onmiddellijk kan worden uitgevoerd, ook als er hoger beroep wordt aangetekend.