ECLI:NL:RBROT:2025:14931

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/10/709297 / JE RK 25-2231
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorgvoorziening

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De minderjarige is sinds 18 juli 2025 onder toezicht gesteld vanwege ernstige zorgen over zijn ontwikkeling en opvoedsituatie bij de moeder.

Tijdens de zitting, die plaatsvond op 5 december 2025, werd het verzoek gewijzigd van plaatsing in een gezinsgerichte voorziening naar een voorziening voor pleegzorg. De moeder, die het ouderlijk gezag heeft en de dagelijkse zorg draagt, uitte ernstige angst voor de uithuisplaatsing, mede door eerdere ervaringen met uithuisplaatsingen van haar andere kinderen. Zij staat wel open voor vrijwillige ondersteuning door een pleegouder.

De kinderrechter oordeelt dat ondanks positieve ontwikkelingen in de thuissituatie de kwetsbaarheid blijft en blijvende ondersteuning noodzakelijk is. De machtiging is juridisch noodzakelijk om de daadwerkelijke plaatsing mogelijk te maken. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en benadrukt het belang van behoud van contact tussen de minderjarige en de moeder, met als doel de moeder te ontlasten en de minderjarige de benodigde structuur te bieden.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleegzorgvoorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/709297 / JE RK 25-2231
Datum uitspraak: 5 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F. Laros, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 15 oktober 2025, door de rechtbank ontvangen op 30 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
1.3.
Aangezien de moeder een auditieve beperking heeft, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van R. Kemeling, doventolk. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft
hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling
heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben
daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3. Bij beschikking van 18 juli 2025 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 18 juli 2025 tot 18 juli 2026.

3.Het (gewijzigde) verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie (de kinderrechter begrijpt gezinsgerichte voorziening) te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek op de zitting mondeling gewijzigd, in die zin dat de GI verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3.
GI handhaaft het gewijzigde verzoek op de zitting. De opvoeding van [voornaam minderjarige] vraagt veel van de moeder. De moeder heeft eerder aangegeven dat zij het ergens prettig vindt dat [voornaam minderjarige] doordeweeks elders verblijft zodat zij vooral de leuke momenten met hem kan delen. De GI merkt dat de moeder angstig is voor wat er mogelijk gaat gebeuren door de verzochte uithuisplaating. Om die reden probeert de GI in overleg met de moeder en [voornaam minderjarige] afspraken te maken om rust te bewaren. De GI is momenteel hard op zoek naar een passende plek voor [voornaam minderjarige] . Het is belangrijk dat hij een plek krijgt die hem de benodigde structuur kan bieden, vergelijkbaar met de structuur die hij eerder ontving van zijn voormalige pleegouders. Op dit moment is er nog geen concrete plek voor [voornaam minderjarige] beschikbaar. Wel is recent gebleken dat er een pleegouder is die openstaat voor een kennismakingsgesprek met [voornaam minderjarige] . Dit is een stap in de goede richting. De GI vindt het noodzakelijk dat er nu een machtiging wordt afgegeven om de plaatsing daadwerkelijk mogelijk te maken en om de zoektocht naar een passende pleegouder te kunnen voortzetten. Daarom heeft de GI tijdens de zitting het verzoek mondeling gewijzigd. De GI benadrukt dat het ook bij een uithuisplaatsing altijd de bedoeling blijft dat [voornaam minderjarige] geregeld contact heeft met de moeder.

4.Het standpunt door en namens de moeder

Door en namens de moeder wordt op de zitting het volgende naar voren gebracht. Een uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] roept bij de moeder ernstige angst op. Zij is bang dat [voornaam minderjarige] plotseling bij haar wordt weggehaald en dat zij alleen achterblijft. Deze angst zorgt voor veel stress en lichamelijke spanningsklachten bij haar. De eerdere uithuisplaatsingen van haar andere kinderen spelen hierin ook een rol. De thuissituatie van de moeder is de afgelopen maanden verbeterd. De samenwerking met de hulpverlening verloopt beter dan voorheen. Ook is de relatie tussen [voornaam minderjarige] en de moeder stabieler geworden. [voornaam minderjarige] ontvangt begeleiding, is bezig met het zoeken naar een bijbaan en werkt aan meer structuur in zijn leven. In de overgelegde stukken van de GI worden zorgen uit het verleden benoemd. De moeder ervaart dit als een beschuldiging dat zij een slechte ouder zou zijn. Zij vindt het moeilijk dat de vader in de stukken positiever lijkt te worden neergezet dan haar eigen rol, terwijl zij degene is die feitelijk voor [voornaam minderjarige] zorgt. De moeder is alleenstaand en neemt de dagelijkse zorg van [voornaam minderjarige] volledig op zich. De moeder staat wel open voor ondersteuning door een nieuwe pleegouder, vergelijkbaar met de eerdere pleegouders die een ondersteunende rol hadden. Zij wil hieraan meewerken in het vrijwillig kader, dus zonder een machtiging tot uithuisplaatsing. Deze machtiging is niet nodig, zolang er sprake is van samenwerking en bereidheid. Daarom wordt verzocht het gewijzigde verzoek van de GI af te wijzen.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[voornaam minderjarige] is op 18 juli 2025 onder toezicht gesteld wegens ernstige zorgen over zijn ontwikkeling en opvoedsituatie bij de moeder. De opvoeding van [voornaam minderjarige] vraagt veel van moeder en er zijn spanningen binnen de thuissituatie waarbij soms sprake is van fysieke escalaties. Nu ligt de vraag voor over [voornaam minderjarige] vanwege de aanhoudende zorgen tijdelijk uit huis geplaatst dient te worden. Gezien de voorgeschiedenis begrijpt de kinderrechter de angst en onrust die de term “uithuisplaatsing” bij de moeder oproept. Tegelijkertijd wordt vastgesteld dat haar thuissituatie kwetsbaar blijft. Hoewel er sprake is van positieve ontwikkelingen is blijvende ondersteuning noodzakelijk om de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] te waarborgen.
5.3.
Het verzoek van GI is ter zitting gewijzigd van een gezinsgerichte voorziening naar een voorziening voor pleegzorg. Door en namens de moeder is ter zitting akkoord gegaan met deze wijziging omdat zij, als het nodig is dat [voornaam minderjarige] uit huis wordt geplaatst, liever heeft dat hij bij een pleeggezin verblijft. De kinderrechter acht het van belang dat [voornaam minderjarige] kan beschikken over een stabiele opvoedomgeving waarin hij structuur krijgt. Het is daarbij belangrijk dat het contact met de moeder behouden blijft. Plaatsing bij een pleegouder in combinatie met geregeld verblijf bij de moeder kan daaraan bijdragen. De bereidheid van de moeder om mee te werken in het vrijwillig kader is positief. Dit biedt echter op zichzelf onvoldoende waarborg om de noodzakelijke ondersteuning structureel te waarborgen. Daarnaast is door de lopende ondertoezichtstelling het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing juridisch noodzakelijk om de daadwerkelijke plaatsing bij een pleegouder mogelijk te maken. De kinderrechter zal het gewijzigde verzoek van de GI dan ook toewijzen. De kinderrechter benadrukt dat dit niet betekent dat de moeder uit het leven van [voornaam minderjarige] wordt weggenomen. Het doel is juist om de moeder te ontlasten en tegelijkertijd [voornaam minderjarige] de benodigde structuur te bieden. Het is van belang dat de GI de moeder actief zal blijven betrekken in het gehele plaatsingstraject.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 5 december 2025 tot 18 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 19 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.